Snuf en Snuitje

 

Er waren eens twee konijntjes. Snuf en Snuitje. Hun vader was houthakker en samen leefden ze in een klein huisje in het bos. Op een dag kwam er een project ontwikkelaar langs. Hij bood de houthakker een heleboel geld voor het huisje. De houthakker, die zijn zware beroep en zijn lage inkomen meer dan zat was, bedacht zich geen moment. Hij kocht een mooi woon/werk pand aan de rand van een industrieterrein en begon een webwinkel.

Snuf en Snuitje vonden het verschrikkelijk om te verhuizen. Ze woonden sinds hun geboorte in het bos en het huisje zat vol met herinneringen aan hun overleden moeder. Gelukkig wenden ze vrij snel aan hun nieuwe omgeving. Ze gingen graag naar school en de voormalige houthakker, die nu eindelijk genoeg geld had, verwende zijn kinderen wanneer de mogelijkheid zich maar voordeed.

Ze leefden een gelukkig leven. Ze hielden van elkaar, de webwinkel liep prima, het huis was comfortabel en ze hadden geld genoeg. Toch ontbrak er iets aan het leven van de welvarende webwinkelier. Zijn vrouw was al geruime tijd overleden en hoewel niemand haar kon vervangen, had hij genoeg van de eenzame avonden. Op een dag trok hij de stoute schoenen aan en plaatste hij een advertentie op Find Ur Love. Hij was een mooi konijn met heel veel geld en het duurde dan ook niet lang voordat de reacties binnenstroomden.

Er was één foto bij waar hij zijn ogen niet van af kon houden. Wat was ze mooi! En niet alleen mooi, ze was nog slim ook! Ze was de eigenaresse van een grote mode winkel, waar ze zelf de kleding voor ontwierp.

Met trillende vingers typte hij een tekstje en tot zijn grote verbazing kreeg hij meteen een berichtje terug. De volgende dag zaten ze tegenover elkaar in het meest romantische restaurant van Ur City. Het klikte meteen en een maand later besloten ze Snuf en Snuitje in te lichten. Die waren op zijn zachts gezegd niet blij. Ze mochten hun nieuwe stiefmoeder helemaal niet.

‘Als je maar niet denkt, dat we mama tegen haar gaan zeggen’, zei Snuf boos. ‘En niemand neemt mama’s plek in’, zei Snuitje grimmig.

De beeldschone vriendin van hun vader glimlachte innemend. ‘Ik wil de plek van jullie moeder helemaal niet innemen en jullie mogen mij gewoon Lola noemen, toch Max?’ 

Hun vader knikte. ‘Ja, jullie noemen haar gewoon Lola en behalve dat Lola hier komt wonen, verandert er niets hoor. Jullie blijven altijd mijn Snuf en Snuitje.’

Lola keek Max liefdevol aan. ‘Ik zal je kinderen zo snel mogelijk moeten dumpen, mannetje’, dacht ze. ‘Wat een etterbakjes. Ze hebben veel te veel invloed op je. Ze moeten weg.’

Lola was helemaal geen eigenaresse van een modewinkel. Ze was wél kleding ontwerpster geweest, maar op een dag was haar inspiratie verdwenen. Hoe ze haar best ook deed, de ideeën kwamen niet meer en ze werd ontslagen. Na heel veel moeite had ze een baan als verkoopster kunnen vinden. Dat betaalde lang zo goed niet als haar vorige baan en Lola had een dure levensstijl. De advertentie van Max op Find Ur Love paste precies in haar straatje. Alleen die kinderen… Peinzend staarde ze voor zich uit en toen glimlachte ze. ‘Dat ik daar niet eerder aan heb gedacht!’, zei ze zachtjes.  Ze stond op en liep naar Max.

‘Wat een ontzettend leuk idee van je Lola.’ De niets vermoedende webwinkelier keek zijn vriendin liefdevol aan. ‘Ik kan voorlopig niet weg, ik heb het te druk, maar de kinderen hebben volgende week vakantie en ik weet zeker dat ze graag met je meegaan.’

Lola lachte lief. ‘Fijn dat je het zo’n goed idee vind, Lieverd. Zodra ze thuis zijn zal ik het ze vertellen.’

De voordeur sloeg dicht en in de gang klonk het geluid van twee op de grond ploffende rugzakken. Lola stond op en liep naar ze toe. ‘Hallo kinderen’, zei ze vriendelijk. ‘Hoe ging het op school vandaag?’

Snuf en Snuitje keken haar verbaasd aan. Lola woonde inmiddels een tijdje bij ze in, maar ze had nog nooit gevraagd hoe het op school ging.

‘Waarom wil je dat weten?’, vroeg Snuf.

‘Je hebt toch geen vervelend klusje voor ons hè?’, vroeg Snuitje.

Lola lachte vriendelijk. ‘Nee hoor, hang je jas maar op en loop met me mee. Je vader en ik hebben een leuke verrassing voor jullie. Onder de thee vertel ik wat het is.’

Nieuwsgierig liepen Snuf en Snuitje achter Lola aan. Eigenlijk wilden ze geen thee drinken met Lola, maar ze wilden wél weten wat de verrassing was. Bovendien was het ook een verrassing van hun vader en hoewel ze Lola niet mochten, wilden ze hem niet teleurstellen. Beleefd keken ze toe hoe Lola hun thee inschonk en ze bedankten haar netjes.

‘Jullie hebben volgende week vakantie hè?’

Snuf en Snuitje knikte.

‘Jullie vader heeft het te druk, maar ik heb vrij genomen om met jullie naar Isnietland te gaan.’

Verrast keken ze haar aan. Lola was toch zo slecht nog niet. Voor het eerst begonnen ze Lola een beetje aardig te vinden. Isnietland! Een prachtig pretpark met de beste rollercoasters van heel Ur!

‘Hoe lang gaan we?’, vroeg Snuf.

‘Drie dagen. We gaan maandag weg en we komen woensdag weer terug’, antwoordde Lola. ‘Hebben jullie genoeg kleding voor het tripje? Of moeten we even shoppen?’

‘We hebben genoeg kleding’, antwoordde Snuitje. Hoewel ze Lola zojuist een stukje aardiger was gaan vinden, had ze nog geen zin om uitgebreid met haar te gaan winkelen.

Lola glimlachte vriendelijk. ‘Prima hoor. Ga maar fijn huiswerk maken. Ik moet nog wat dingen regelen.’

Met Isnietland in het vooruitzicht was de sfeer in huis bijna net zo goed als vroeger. De ijzige stiltes aan tafel waren verleden tijd en er werd zo nu en dan zelfs gelachen.

Eindelijk was het zover. Nadat Snuf en Snuitje hun vader hadden geknuffeld en Lola en Max uitgebreid afscheid hadden genomen, stapten ze in de Solar Bus. De rit naar het pretpark ging een halve dag duren, maar hun vader had een flinke internetbundel voor ze gekocht en ze vermaakten zich prima. Jaloers keek Lola naar de prachtige foons van de kinderen. Ze haalde haar schouders op. Ze was bijna jarig en als ze Max lief aankeek, kreeg ze er vast ook één. Ze pakte haar eigen apparaat en startte de Isnietland app. Het prachtige landschap ging aan haar voorbij, maar ze zag het niet. Ze staarde naar het kleine schermpje van haar foon en bleef maar scrollen door de plattegrond. Waarom was dat pretpark zo veilig! Mopperend sloot ze de app af.

‘Wat is er Lola?’, vroeg Snuitje.

‘Er is een hele leuke attractie gesloten’, zei Lola boos.

‘Welke attractie?’

‘De “hoe laat ik twee kinderen achter attractie”, dacht Lola, maar ze antwoordde: ‘Het reuzenrad.’

‘Wat jammer’, zei Snuitje. ‘Ach, gelukkig gaan we een paar dagen. Wie weet doet ie het morgen wél.’

Lola gniffelde. ‘Dat zou geweldig zijn kind. Wat ben je lekker optimistisch, daar houd ik wel van.’

Ze haalde een zakflacon uit haar tas en nam een flinke slok.

‘Wat drink je?’

‘Een middeltje tegen reisziekte.’ Ze nam nog een flinke slok en stopte de flacon met worteltjeswodka weer in haar tas.

Na een paar uurtjes rijden, kwamen ze aan bij het hotel. Lola had twee kamers gereserveerd. Eén voor haarzelf en één voor Snuf en Snuitje. Ze waren prachtig, maar Snuf en Snuitje hadden nauwelijks oog voor de luxe hotelkamers. Ze wilden naar het pretpark! Bij het inchecken hadden ze een armband gekregen, die als toegangsbewijs diende en ze popelden om het ding te gebruiken. Ze klopten op Lola’s deur, maar Lola gaf geen antwoord.

‘Hoe kan dat nou?’, vroeg Snuf. Snuitje haalde haar schouders op. Misschien is ze even naar het toilet. Ik stuur haar wel een appje.’

‘Ga alvast maar naar het park’, appte Lola terug. ‘Ik zie jullie om vier uur bij het meetingpoint.’

Dat lieten ze zich geen twee keer zeggen. Ze haasten zich het hotel uit en gingen verheugd op weg naar het park. Lola zat in de lobby met een drankje en zag de kinderen het hotel uit rennen. Ze lachte vals, pakte haar foon en toetste een nummer in.

—-

‘Kijk nou!’, zei Snuitje verbaasd. ‘Het reuzenrad doet het gewoon!’

Snuf keek haar verbaasd aan. ‘Waarom verbaast je dat?’, vroeg hij.

‘Lola zei dat hij stuk was.’

‘Misschien is hij net gemaakt.’

‘Zo snel gaat dat toch niet?’

‘Ach, wat kan ons het schelen, hij doet het in ieder geval. Zullen we er in gaan? Ik vind het leuk om het park van bovenaf te bekijken. Dan kunnen we het hele park overzien.’

Samen gingen ze in de rij en niet veel later zaten ze te genieten van het uitzicht.

‘Als we maar op tijd bij het meetingpoint kunnen zijn’, schrok Snuitje. ‘Straks komen we te laat.’

‘Welnee, en anders appen we haar wel even’, suste Snuf zijn zusje.

Hij had gelijk. Ze waren op tijd. Ze waren zelf iets eerder dan Lola.

‘Wat heerlijk, zulke keurige kinderen’, vleide Lola. ‘Het is een genot om met jullie op pad te zijn. Zien jullie dat kasteel verderop? Daar kan je alleen in als je speciale kaarten hebt. Het is een hele speciale attractie.’

‘Wat leuk!’, juichte Snuitje.

‘Wat is er dan zo speciaal aan?’, vroeg Snuf.

‘Dat is een verrassing, kom maar mee.’

Ze liepen achter Lola aan en even later stonden ze voor de poort. Lola pakte de grote klopper en bonsde er mee op het massieve hout. Een gebocheld oud konijn met een rafelig litteken, deed de poort open en stak zijn hand uit.

‘Eerst de kaartjes’, kraakte zijn oude stem. ‘Zonder kaartjes geen toegang.’

Snuitje huiverde. ‘Ik weet niet of ik nog wel durf’, zei ze zachtjes.

‘Natuurlijk wel!’, zei Lola. Haar zachte stem klonk kil en Snuitje durfde haar niet tegen te spreken.

Ze liepen achter het oude konijn aan en kwamen in een grote zaal. Er stonden nog meer konijnen te wachten en Snuitje voelde zich wat meer op haar gemak. Zo nu en dan ging de deur aan het einde van de zaal open en werd er een klein groepje door gelaten. Na een tijdje gewacht te hebben waren ze aan de beurt. Net toen ze verder wilden lopen ging Lola’s foon. Ze nam op en luisterde.

‘Oké dan, het is niet anders’, zei ze teleurgesteld. ‘Ik sta net voor een exclusieve attractie, maar dit gaat voor.’

Ze hing op en keek Snuf en Snuitje aan. ‘Er is iets op mijn werk. Ik kan niet mee. Gaan jullie maar. Ik zie jullie straks in het hotel.’

Ze zwaaide nog een keer en liep weg.

Verbaasd keken ze haar na.

‘Komt er nog wat van’, kraakte het oude konijn. ‘Er zijn nog meer konijnen die mee willen hoor.’

Ze snelden zich naar het attractiewagentje en gingen zitten. De deur viel achter ze dicht en het was helemaal donker. Langzaam kwam het wagentje in beweging. Snuitje was bang.

‘Ik zie niets’, fluisterde ze.

‘Zo meteen wel’, fluisterde Snuf terug. ‘Zo gaat het altijd. Als je niet wilt schrikken hou je gewoon de hele tijd je ogen dicht.’

‘En dan niks gezien hebben zeker! Nee hoor, ik kijk!’

‘Is het normaal dat het zo donker blijft?’, fluisterde Snuitje na een tijdje.

‘Nee, maar misschien doen ze dat wel expres, om het spannender te maken’, fluisterde Snuf terug.

‘Ik hoor de andere wagentjes ook niet meer. Daarnet hoorde ik in de verte nog iemand gillen, maar nu is het stil. Dat is toch raar? Vind je ook niet? Geef eens antwoord Snuf. Snuf, als dit een grapje is vind ik het niet leuk. SNUF’, schreeuwde ze.

‘Iemand deed een hand over haar mond en trok haar uit het wagentje. Ze schopte en sloeg en probeerde zich los te trekken, maar het lukte niet. Het geluid van een open ploppend flesje echode in het donker. Een vieze lucht drong in haar neus en toen was ze buiten bewustzijn.

Ze werd wakker in een schaars verlichte ruimte. Haar hoofd deed zeer en ze probeerde zich te herinneren waar ze was. Haar ogen wenden aan het licht en tot haar grote opluchting zag ze dat Snuf naast haar lag.

‘Snuf’, fluisterde ze. Ze schudde aan zijn mouw. ‘Snuf’, fluisterde ze weer.

Snuf deed langzaam zijn ogen open. Hij kreunde. ‘Au, mijn hoofd, au.’

‘Ik zie dat jullie wakker zijn’, kraakte een bekende stem. Het was het gebochelde konijn. ‘Dat zal Woelf wel fijn vinden.’

‘Woelf’, zei Snuitje boos. Haar hoofd bonsde, maar haar boosheid won het van de pijn. ‘Wie is Woelf? Dit is helemaal geen leuke attractie weet je dat. Het is een schande dat Lola er zoveel voor heeft betaald. Als ze dit van te voren had geweten, hadden we nooit in deze attractie gemogen!’

Er gleed een droevige trek over het gezicht van het konijn. ‘Daar zou ik maar niet zo zeker van zijn’, zei hij zacht. Hij schoof een dienblad met twee dikke hamburgers en een grote portie friet door een luikje. ‘Pak even aan. Het is lekker hoor. De Isnietland Special met friet. Wat willen jullie er bij drinken?’

‘Doe maar Cola’, zei Snuf en als het niet te veel moeite is, willen we er ook graag ketchup en mayo bij.’

‘Komt voor elkaar’, kraakte het konijn. ‘Ik ben zo terug.’

‘Dat is hartstikke slecht voor de lijn hoor’, mopperde Snuitje. ‘En het is helemaal niet gezond. Er zit niet eens sla bij!’

‘Ach voor een keertje. Ik heb trek, jij niet?’

Snuitje knikte. Er sloeg een deur dicht. Het was het gebochelde konijn.

‘Zo, eet maar lekker’, zei hij. ‘Zien jullie dat koord daar? Als jullie iets nodig hebben, kan je er aan trekken. Dan kom ik naar jullie toe.’

Zodra hij weg was begonnen ze te eten. Nu pas merkten ze wat een trek ze hadden. De grote hamburgers en de berg friet verdwenen moeiteloos in hun hongerige magen. Snuf stond op en trok aan het koord.

‘Wat kan ik voor jullie doen?’, klonk de krakende stem.

‘Ik moet plassen’, zei Snuf. ‘En ik vind het genoeg geweest, ik wil naar het hotel.’

‘Dat zal niet gaan ben ik bang’, antwoordde de stem. ‘Het toilet vind je aan de rechterkant van jullie cel. Daar is ook een kleine badkamer. Aan de linkerkant van de cel staat een bed. Ik stel voor dat jullie even gaan slapen. Woelf komt vannacht en dan horen jullie hoe het verder gaat. Willen jullie nog een ijsje?’

‘Doe maar’, zei Snuf boos. ‘Behalve eten hebben we hier niets te doen. Wat een saaie bedoening. Als we hier uitkomen ga ik eens flink klagen over deze attractie.’

‘Tegen de tijd dat je hier uit komt, klaag je niet meer’, zei het konijn somber. ‘Ik kom er zo aan met jullie ijsjes.’

‘Wat bedoelde hij daarmee, het klonk eng’, zei Snuitje geschrokken.

‘Geen idee, maar als papa dit hoort zijn ze nog niet jarig!’, zei Snuf boos.

Na hun ijsje waren ze op het bed gaan liggen. Gelukkig was het een comfortabel bed en dat hadden ze nodig, want ze moesten stevig uitbuiken.

‘Ik kan geen pap meer zeggen’, zei Snuf.

‘Ik ook niet. Hoe is het met je hoofd? Mijn hoofdpijn is over.’

‘Mijne ook. Jammer dat we geen bereik hebben, dan konden we Lola en papa waarschuwen.’ Hij stond op en begon te ijsberen. ‘Zou dit nu allemaal onderdeel van die speciale attractie zijn?’, vroeg Snuf zich af. ‘Het gaat wel heel erg ver hoor.’

‘Het wordt verkocht als speciale attractie’, antwoordde Snuitje. ‘En Isnietland is heel erg populair, daar verdwijn je toch niet zomaar? Ik denk dat we vannacht wakker worden gemaakt door die Woelf en dan brengt hij ons vast naar het hotel.’

‘Ik hoop dat je gelijk hebt’, zei Snuf. ‘Laten we maar gaan slapen.’

In haar hotelkamer trok Lola een fles bubbeltjeswater open. Ze grijnde van oor tot oor. Wat had ze dat mooi geregeld! De kinderen zouden nooit meer thuis komen… Over een paar uur ging ze Max maar eens bellen. Wat een verdriet zou hij hebben.. Ze zou de komende tijd haar handen vol hebben met het troosten van haar nieuwe vriend.

Lola schonk het laatste bodempje bubbeltjeswater in haar glas, goot het in één keer naar binnen en belde Max. ‘Hallo Max, ik heb niet zulk goed nieuws. Het park is gesloten, maar de kinderen zijn nog niet thuis.’

‘WAT’, klonk het aan de andere kant van de lijn. ‘HOE KAN DAT?’

‘Ik heb geen idee’, antwoordde Lola kalm. ‘Ik had kaarten voor ze gekocht voor een speciale attractie en net toen we aan de beurt waren, werd ik gebeld door mijn bedrijf. Ze hadden me met spoed nodig en ik wilde Snuf en Snuitje niet teleurstellen, dus heb ik ze daar gelaten. Dat is de laatste keer dat ik ze heb gezien. Ik had verwacht dat ze naar het hotel zouden komen na sluitingstijd, maar ze zijn er nog steeds niet. Wat zullen we doen? Zal ik de politie bellen of wachten we het nog even af?’

‘IK BEL DE POLITIE ZELF’, brulde Max. ‘Het is niets voor mijn kinderen om niet op te komen dagen. Daar zijn ze veel te goed voor opgevoed.’

Hij verbrak de verbinding.

‘Oeps’, zei Lola. ‘Die is boos. Ach, ik stuur hem zo wel een berichtje.’

Max was verschrikkelijk ongerust. Met trillende vingers toetste hij het alarmnummer in.

‘Wat kan ik voor u doen?’, vroeg een vriendelijke stem aan de andere kant van de lijn. Max deed zijn verhaal. ‘Normaal gesproken ondernemen we pas actie als een persoon 24 uur vermist is,’ zei de vriendelijke stem. ‘Maar twee vermiste kinderen in Isnietland is een serieuze zaak. Agent Graver is op het ogenblik het dichtst in de buurt. Zij krijgt de zaak toegewezen. Mocht u vragen hebben, dan kunt u haar bereiken op het navolgende nummer. Max noteerde het nummer en stapte in zijn auto.

‘Ok, Zoekel, bel Lola’, zei hij. Zoekel belde Lola en Max bracht Lola op de hoogte. Lola was inmiddels aan haar tweede fles bubbeltjeswater begonnen. Ze was een beetje aangeschoten.

‘Fijn dat je komt Maxi, ik hhheb je gemmmist.’

Max was niet in de stemming om zijn aangeschoten vriendin aan te horen. Hij was boos. Het leek wel of het haar niets kon schelen, dat de kinderen vermist werden. Hij hing op en liet Zoekel het nummer van agent Graver bellen.

‘Met Lynsie Graver.’

Max viel even stil. ‘U bent een vrouw’, zei hij.

‘Inderdaad’, zei de agente. ‘Heeft u daar problemen mee?’

‘Nee hoor, het viel mij alleen op. Mijn kinderen zijn verdwenen en ik maak mij grote zorgen. Normaal gesproken had ik het alleen maar  gedacht, maar nu ben ik nerveus en het floepte het er zo maar uit.’

De agente lachte. ‘Het is in orde hoor’, zei ze vriendelijk. ‘Hoe laat denkt u dat u bij het park kunt zijn?’

‘Over een uurtje’, antwoordde Max.

‘Prima, ik ga alvast op onderzoek uit. Hoe heet uw vriendin en waar logeert ze?’

‘Ze heet Lola Volante en ze logeert in “De Lachende Draak”.’

‘Oh, dat ken ik wel’, zei agent Graver. ‘Ik ga aan de slag. Tot straks!’

Ze hing op en Max drukte het gaspedaal nog wat dieper in.

Agent Graver liep naar de receptie van het hotel. ‘Ik kom voor mevrouw Volante’, zei ze.

‘Mevrouw Volante wil niet gestoord worden’, zei de receptionist.

Lynsie pakte haar badge en hield het voor zijn neus.

‘Ze heeft Kamer 214, wilt u een sleutel mee?’

Lynsie schudde haar hoofd.

‘U gaat de deur toch niet intrappen, als ze niet opendoet hè?’

‘Nee, dit keer niet. Wat is het kamernummer van de kinderen?’

‘216, maar ik weet niet of ze er zijn.’

Lynsie bedankte de receptionst en stapte in de lift. Ze bonsde op de deur van kamer 214. Er werd niet open gedaan. Tegen beter weten in bonsde ze op de deur van kamer 216. Ook nu werd er niet open gedaan. Ze had een slecht gevoel over deze zaak. De naam Lola Volante kwam haar bekent voor. Ze had die naam al eens eerder gehoord, maar ze wist niet meer in welk verband. Ze besloot naar het bureau te gaan. Ze had nog een half uurtje en in die tijd kon ze de computer archieven nog snel even doorspitten.

Lola hoorde het gebons op de deur wel, maar ze had geen zin om open te doen. Ze lag na te denken in een warm schuimbad.

‘Misschien is het toch niet zo’n goed idee geweest om de kinderen te laten verdwijnen’, dacht ze. ‘Stel dat Max mij de schuld van de verdwijning geeft, dan is het binnen niet al te lange tijd uit tussen ons en dan kan ik mijn luxe leventje vergeten. Als ik de kinderen red, ben ik een heldin en zal hij mij heel erg dankbaar zijn…’

Ze pakte haar telefoon en belde het nummer dat ze die dag al eerder had gebeld. Er werd niet opgenomen.

‘Hopelijk ben ik niet te laat’, dacht ze. Ze haastte zich uit bad. ‘Als ik ze wil redden moet Ik opschieten.’ Vijf minuten later zag de receptionist Lola het hotel uitrennen. Hij pakte zijn telefoon en stuurde een berichtje naar Lynsie Graver.

‘Snuf! Snùùùùùf!’

Snuf deed slaperig zijn ogen open en deed ze meteen weer dicht. Hij draaide zich om en sliep verder, maar Snuitje schudde hem weer wakker.

‘Snuf, niet slapen! Er komt iemand aan!’

Snuf spitste zijn oren. Snuitje had gelijk! Snel sprong hij het bed uit en wenkte zijn zusje. Ze waren nog maar nauwelijks opgestaan toen het licht aanfloepte. Snuitje schreeuwde van de schrik en Snuf verstarde. Voor de tralies van hun cel stond een enorme wolf. De wolf grijnsde en brulde:

‘KNIBBEL KNABBEL KNIETJE, WIE LUST ER HIER EEN FRIETJE???’

Hij schaterde het uit en de walm van zijn vieze adem golfde door hun cel.

Snuf en Snuitje kropen tegen elkaar aan.

‘Wie ben je en wat kom je doen?’, vroeg Snuf dapper.

‘Ik ben Woelf, eigenaar van Isnietland en ik ben dol op konijnenvlees. Helaas mag je op Ur geen konijnen eten en op mijn eigen planeet is het ook verboden. Maar een enkele keer lukt het me om aan smakelijk konijnenvlees te komen. Zoals nu.’

‘Ik vind dat de speciale attractie lang genoeg geduurd heeft’, zei Snuf met trillende stem. ‘Zou u ons naar het hotel willen brengen? Dan praten we nergens meer over. Ik beloof u dat we niet zullen klagen.’

Woelf bulderde van het lachen en ook deze keer ging zijn lachbui gepaard met een enorme stinkwalm.

‘Je bent zo grappig, dat ik je bijna niet meer eten wil. Misschien amuseer ik me eerst nog een beetje met jullie, dan kunnen jullie ook wat dikker worden. Jullie zijn wat aan de magere kant. De komende dagen krijgen jullie flink veel te eten. Morgen kom ik weer kijken. Slaap lekker mijn malse konijnenboutjes.’

Woelf liep weg en het licht floepte uit.

‘We moeten ontsnappen Snuitje’, fluisterde Snuf. ‘Zo langzamerhand begin ik te geloven, dat het helemaal geen speciale attractie is. Woelf is echt van plan om ons op te eten. Denk je dat Lola hier meer van weet? Misschien wil ze papa wel helemaal voor zichzelf hebben en wil ze van ons af. Het is toch vreemd dat ze net werd weggeroepen, voordat we de attractie in gingen?’

‘Ik ben bang dat je gelijk hebt,’ zei Snuitje. ‘Maar hoe komen we hier weg?’

‘We zouden een gat onder de tralies kunnen graven.’

‘Hoe? We krijgen geen bestek bij het eten en met zo’n plastic ijslepeltje kan je niet graven.’

‘Misschien passen we door de opening van het luikje waar ons eten door naar binnen wordt geschoven.’

‘Nee, dat is veel te smal en we worden vetgemest met Isnietland Specials. De komende dagen worden we alleen maar dikker.’

‘Dan laten we het eten toch gewoon staan!’

‘Woelf heeft ons nog niet opgegeten, omdat hij ons vet wil mesten. Als we dunner worden, eet hij ons meteen op.’

Somber gingen ze op het bed zitten. Ze moesten ontsnappen, maar ze hadden geen idee hoe.

Lola stond bij de ingang van het pretpark. Ze probeerde het nummer nog een keer, maar er werd nog steeds niet opgenomen. Er brandde licht in een huisje naast de ingang van het park. Hoopvol liep ze er naar toe en klopte op de deur.

‘We zijn gesloten’, klonk het uit de intercom.

Lola klopte nog een keer. De deur werd opengedaan door een gebocheld konijn.

‘We zijn gesloten’, schreeuwde hij met zijn krakende stem.

Lola knikte begrijpend. ‘Ik kom niet voor het pretpark. Ik wil Woelf spreken. Ik wil de kinderen terug. Hier is de enveloppe met geld. Ik zie van de deal af.’

Het gebochelde konijn begon hard te lachen. ‘Grappenmaakster’, kraakte hij. ‘Denk je nu echt dat Woelf zijn konijnenboutjes ruilt voor een envelopje. Hij is hartstikke rijk. Geld interesseert hem niet. Je wilde toch van de kinderen af? Wel dat is je gelukt! En ga nu weg, voordat ik de politie bel.’

Lola keek hem verbaasd aan. ‘Als er hier iemand de politie belt, dan ben ik het wel hoor en niet jij.’

‘Jij gaat de politie niet bellen, dametje’, kraakte het gebochelde konijn. ‘Want er is niemand die jou geloofd. Woelf heeft je nagetrokken voordat hij met je in zee ging.’

Lola’s mooie neusje trilde. ‘We maken allemaal wel eens fouten. Ik heb mijn straf uitgezeten en ik heb mijn leven gebeterd.’

‘O ja’, kraakte het konijn. ‘Ruil je daarom de kinderen van je vriend in voor een paar centen.’

Lola draaide om en liep weg.

‘Ja loop maar weg!’, schreeuwde het gebochelde konijn haar na. ‘En als je verstandig bent, kom je nooit meer terug!’ Hij gooide de deur van het huisje dicht.

Lola zei niets. In de verte zag ze de koplampen van een auto en ze ging aan de kant.

‘Lola!’

‘Max! Wat een toestand hè! Ik voel me zo schuldig.’

Ze begon te huilen en Max die heel erg boos op haar was geweest, voelde zijn boosheid wegzakken.

‘Rustig maar Lola, we weten niet wat er aan de hand is. De politie is gewaarschuwd. Ze kunnen ieder moment komen en dan wordt het park doorzocht. Vertel ze wat er is gebeurd. Ieder stukje informatie kan helpen. Hier heb je een zakdoek.’

Lola droogde haar tranen en vleide zich tegen hem aan.

‘Dank je Max’, zei ze. ‘Ik ben blij dat je er bent.’

Lynsie was onderweg naar het pretpark. Ze had om assistentie gevraagd. Het pretpark was groot en het was onmogelijk om het onderzoek in haar eentje te doen. Nadat ze terug was gegaan naar het bureau had ze in het computer archief naar Lola gezocht en ze had gelijk gehad. Lola was inderdaad een bekende van de politie. Een paar jaar geleden, had ze geprobeerd Grijssnuitje, de dochter van een rijk echtpaar, te laten verdwijnen. Ze was vrijgelaten wegens goed gedrag en had in de gevangenis een cursus modeontwerpen gevolgd. Na haar vrijlating had ze een tijdje als modeontwerpster gewerkt, maar een paar maanden geleden was ze ontslagen en nu werkte ze als verkoopster bij de Preimarkt. Het was op zijn zachtst gezegd raar, dat er in haar bijzijn twee kinderen waren verdwenen. Kinderen van een rijke vader…

‘Daar heb je de agente’, wees Max. Lola keek en huiverde. Ze hoopte maar dat de agente niets van haar verleden wist. Anders zag het er niet best voor haar uit.

‘Hallo Max, hallo Lola’, zei Lynsie vriendelijk. ‘We gaan zo het park in. Even wachten op mijn collega’s. Gaat het een beetje met jullie? We vinden ze wel hoor. Het gebeurd wel vaker dat kinderen per ongeluk achterblijven in een park. Eerst lijkt het ze spannend, maar als het donker wordt en ze kunnen er niet meer uit, worden ze toch een beetje bang.’

Ze glimlachte nog eens vriendelijk. ‘Er brandt licht in dat huisje, ik stel voor dat we daar eerst eens gaan kijken.’

Ze ging voorop en Max en Lola liepen achter haar aan. Ze belde aan en er werd opengedaan door een vriendelijke oude dame.

‘Wat kan ik voor jullie doen?’, vroeg ze. Lynsie vertelde in het kort wat er aan de hand was.

‘Wat vervelend allemaal’, zei het oude dametje meelevend. ‘Ik ben bang dat ik niets aan de situatie kan veranderen, maar jullie mogen binnenkomen hoor. Ik maak wel even worteltjesthee.’

Ze bedankten het oude dametje en gingen naar binnen. In het huisje stond een grote bank, waar ze makkelijk met z’n allen op konden zitten.

‘Zeg Lola’, vroeg Lynsie. ‘Wanneer heb je de kinderen voor het laatst gezien?’

‘Ik had tickets voor ons gekocht voor een bijzondere attractie. Het kasteel. We waren net aan de beurt toen ik gebeld werd door mijn werk. Ze hadden me met spoed nodig, dus ik kon niet mee. Oh Max, als ik dit van te voren had geweten….’

Ze begon hartverscheurend te huilen. Max nam haar troostend in zijn armen. Het oude dametje kwam binnen met een dienblad vol theebekers.

‘Drink maar lekker op’, zei ze vriendelijk. ‘Niets helpt beter tegen tranen dan een bakkie troost.’

Lynsie wilde net een slokje thee nemen, toen ze een berichtje kreeg. ‘Mijn collega’s zijn er, ik moet ze bijpraten. Drink rustig jullie thee op, want het kan even duren. Tot zo!’

Ze liep naar buiten en sloot de deur. Nadat ze haar collega’s had gesproken, liep ze terug naar het huisje. De lichten waren uit… Vreemd… Ze belde aan en wachtte. Ze belde nog eens aan. Ze bonsde op de deur. Waarom werd er niet opengedaan? Ze liep om het huisje heen en probeerde naar binnen te kijken, maar de ramen aan de achterkant van het huisje waren geblindeerd. Snel bracht ze haar collega’s op de hoogte.

‘Ik ga naar binnen, als ik mij over tien minuten niet heb gemeld, kom me dan zoeken.’

Lynsie forceerde de deur en deed het licht aan. Ze liep naar de kamer waar ze tien minuten geleden nog met elkaar aan de thee hadden gezeten. De kamer was leeg…. Geen beker thee meer te bekennen. Ze liep naar de keuken en voelde aan de waterketel. De ketel was nog een beetje warm en op de aanrecht stond een pakje thee. Lynsie stopte de thee in haar tas. Ze doorzocht alle kamers zorgvuldig, maar ze vond niets. Geen geheime doorgangen, geen aanwijzingen, helemaal niets. Gefrustreerd liep ze naar buiten. ‘Dit kan helemaal niet’, mompelde ze. ‘Waar zijn ze gebleven?’

Het oude vrouwtje had de opdracht gekregen, het gezelschap te laten verdwijnen. Ze had thee gezet met een sterk slaapmiddel en daarna zou ze gebruik maken van de bank. De bank was onderdeel van een slimme draai constructie. Als je op de derde tegel links in de schouw drukte, verdween de bank en dan kwam er een identieke bank voor in de plaats. Het oude vrouwtje was bezorgd. Woelf zou wel boos zijn. Hij had ze allemaal willen laten verdwijnen en nu liep de agente nog rond. Ze drukte op de tegel. De banken verwisselden van plaats. Ze controleerde of de naden van de vloer goed gesloten waren en sloop de achterdeur uit.

‘Er komt iemand aan’, fluisterde Snuf.

‘Als het Woelf maar niet is.’ fluisterde Snuitje angstig.

Het licht floepte aan en de deur ging open. Het was het gebochelde konijn. Hij had een kruiwagen bij zich en op die kruiwagen lag hun vader! Geschrokken keken ze naar zijn roerloze lichaam. Het konijn maakte de deur van hun cel open en rolde Max naar binnen.

‘Geen fratsen’, kraakte hij. ‘Ik moet nog iemand halen en ik laat de deur even openstaan. Als jullie proberen te ontsnappen, waarschuw ik Woelf en dan eet hij jullie op! Hij ging de cel uit en nam de kruiwagen mee. De ogen van Snuf en Snuitje rolden zowat uit hun hoofd, toen ze Lola zagen. Ze lag op de kruiwagen en ook Lola bewoog niet.

‘Wat heb je met ze gedaan?’, vroeg Snuf boos.

‘Geen zorgen’, kraakte het konijn. ‘Ze hebben een sterk slaapmiddel gehad. Ze komen zo weer bij. Willen jullie wat eten?’

‘Nee dank je, we hebben geen honger’, zei Snuitje.  Ze keek het konijn boos aan.

Het konijn haalde zijn schouders op en verliet de cel. Tien minuten later kwam hij terug met een grote schaal pannenkoeken en vier bekers chocolademelk met slagroom.

‘Opdracht van Woelf’, zei hij verontschuldigend. ‘Eet het maar op. Probeer niet te vermageren, maar op gewicht te blijven. Zo rekken jullie tijd. Hij houdt van vette konijnen en zal proberen jullie zo dik mogelijk te maken, maar als jullie dunner worden eet hij jullie meteen op.’

Snuf en Snuitje keken hem verbaasd aan.

‘Waarom vertel je dit aan ons?’, wilde Snuitje weten.

Het konijn keek ze droevig aan en draaide zich om. Zonder nog iets te zeggen, ging hij weg.

Max werd als eerste wakker. Hij deed zijn ogen open en keek in de bezorgde gezichten van zijn kinderen. ‘Ik droom’, mompelde hij. Hij wilde zijn ogen weer dicht doen, maar Snuitje schudde zachtjes aan zijn schouder. ‘Je droomt niet papa, we zijn het echt’. Max deed zijn ogen open. Voorzichtig ging hij rechtop zitten. Zijn hoofd deed zeer, maar hij schonk er geen aandacht aan. ‘Wat ben ik blij om jullie weer te zien’, riep hij uit. ‘Ik ben zo ongerust geweest! Maar hoe zijn jullie hier terechtgekomen en waar zijn we?’

Snuf en Snuitje vertelden hun vader wat er was gebeurd.

‘We hebben geen idee waar we zijn, maar Woelf wil ons opeten. Het gebochelde konijn heeft ons aangeraden op gewicht te blijven. Zolang we niet afvallen of zwaarder worden, zal Woelf ons niet eten. Hij wil alleen vette konijnen.’

Lola kreunde.

‘Ik geloof dat Lola ook wakker wordt’, zei Max. ‘Laten we even bij haar kijken.’

Lynsie haastte zich naar het kasteel. Haar collega’s waren al een tijdje bezig en ze wilde weten of ze al wat aanwijzingen hadden gevonden. Haar team stond buiten te overleggen en hun gezichten stonden bedrukt. Ze liep naar ze toe.

‘Wat is er? Waarom kijken jullie zo moeilijk?’

‘Het is een doolhof. De tunnel waar de karretjes van de attractie over het spoor gaan, heeft een groot aantal vertakkingen. Onder het kasteel bevind zich een enorm onderaards gangenstelsel en we hebben geen idee, waar al die gangen naar toe leiden.’

Lynsie beet op haar lip en dacht na.

‘Hebben al die vertakkingen een spoor, waar een karretje overheen kan rijden?’

‘Nee, het spoor vertakt zich halverwege de hoofdtunnel. Door de andere gangen loopt geen spoor.’

‘Dan gaan we bij de vertakking kijken’, zei Lynsie. Ze stond op en ging het kasteel in. De andere agenten haasten zich achter haar aan.

‘Mijn hoofd’, kreunde Lola. ‘Wat een bocht, dat bubbeltjeswater. Ik hou het in het vervolg op wodka. Waar ben ik?’

‘Geen idee’, antwoordde Max. ‘Maar we moeten hier zo snel mogelijk uit zien te komen. Ene Woelf wil Snuf en Snuitje opeten en ons waarschijnlijk ook.’

Lola schoot overeind. ‘Wat!’, brulde ze. ‘Zijn we gevangen genomen door Woelf? Dat is toch zeker een grapje hè!’

‘Ik ben bang van niet’, zei Max. ‘Aan je reactie te zien ken je hem. Wie is hij?’

‘Dat vertel ik je wel als we hier uit zijn. We moeten ontsnappen.’ Ze trok een haarspeld uit haar kapsel en begon aan het slot te peuteren. Er klonk een klik en het slot sprong open.

‘Snel, schiet op, laten we gaan’, zei Lola. Ze deed de deur open en toen floepte het licht aan.

‘Hallo Lola, waar wil je naar toe met mijn familiemaaltijd?’

Woelf leunde in de deuropening en grijnsde. Zijn vlijmscherpe tanden blikkerden in het licht.

‘Heb je je laten overmeesteren door een oud vrouwtje Lola? Ik dacht dat jij slimmer was.’

Hij deed de deur dicht en leunde er met zijn rug tegen aan. Hij staarde het gezelschap boosaardig aan.

‘Het is maar goed dat ik even kwam kijken, naar mijn konijnenboutjes.’

‘Noem mijn kinderen geen konijnenboutjes’, schreeuwde Max. ‘Wie ben jij? Weet je niet dat konijnen eten illegaal is! Daar kan je de gevangenis voor in gaan hoor!’

Woelf begon bulderend te lachen. ‘Of ik niet weet dat konijnenvlees illegaal is? Natuurlijk weet ik dat! Waarom zou ik er anders zoveel voor betalen? Daar weet Lola alles van, hè Lolaatje. Heb je nog een beetje plezier gehad van het geld dat ik je heb gegeven?’

‘Hij kletst maar wat hoor Max, hij heeft mij helemaal geen geld gegeven. Ik weet hier helemaal niets van.’

‘Jawel Max, ze weet hier wel degelijk vanaf’, zei Woelf treiterig. ‘Ze wilde de kinderen laten verdwijnen en dat is bijna gelukt. Morgen eet ik ze op. Geniet van de pannenkoeken en de chocomel.’

Hij deed de deur van de cel weer op slot.

‘Ontsnappen kan niet’, zei hij. ‘Zelf als jullie de cel uit gaan, komen jullie niet weg. Buiten deze ruimte bevindt zich een onderaards gangenstelsel en zonder kaart verdwaal je. Droom maar lekker. Knibbel Knabbel Knietje, wie lust er nog een frietje…..’

Gemeen grinnikend liep hij weg.

‘Dus jij wilde ons uit de weg hebben’, zei Snuitje kattig. Lola wilde antwoorden, maar Max keek haar zo strak aan, dat ze niet meer durfde.

‘Met Lola rekenen we later af’, zei hij. ‘Eerst moeten we hier uit zien te komen. Het heeft geen zin om elkaar in de haren te vliegen, dat kost tijd en zoveel tijd hebben we niet.’ Hij gaf Snuf en Snuitje een beker chocolademelk en pakte er zelf ook een. ‘Jij mag jezelf bedienen’, snauwde hij naar Lola.

Lola veegde haar tranen weg en pakte de laatste beker. Ze stond op en ging in het verste hoekje van de cel zitten.

‘Heb je een idee papa?’, vroeg Snuf hoopvol.

Max schudde zijn hoofd. ‘Onze enige hoop is Lynsie, de agente die het onderzoek leidt naar jullie verdwijning. Ik ga even liggen. Hebben jullie ook zo’n slaap?’

Met moeite wist hij het bed te bereiken. Snuf en Snuitje niet, ze waren op de grond in slaap gevallen en ook Lola was niet meer wakker.

De deur van de cel ging open en het gebochelde konijn kwam binnen.

‘Niemand weerstaat chocolademelk met slagroom’, zuchtte hij. ‘En dat is in dit geval maar goed ook. Zo bespaar ik ze in ieder geval een akelig afscheid.’

Hij tilde eerst Snuf en toen Snuitje op de kruiwagen. Daarna sloot hij de deur van de cel en nam hij de kinderen mee.

Lynsie liep voorzichtig over het spoor. Ze wilde geen geluid maken. Nadat ze het onderaardse gangenstelsel onder haar team had verdeeld, was ze zelf de tunnel met het spoor ingelopen. Er kwam een flauwe gloed van de wanden af, maar verder was het aardedonker en doodstil in de tunnel. Ze stopte en keek door haar infraroodkijker. Een kleine vijftig meter voor haar zag ze een attractiewagentje! Ze liet de kijker weer zakken en liep voorzichtig naar het wagentje toe. Er kraakte iets en toen scheen er licht in de donkere tunnel. Er was een deur open gegaan en in de deuropening stond een gebocheld konijn. Hij zag haar niet… Voorzichtig sloop ze dichterbij. Het konijn liep over een klein perron naar het attractiewagentje en stapte in. Lynsie was inmiddels bij de achterkant van het wagentje aangekomen. Voorzichtig boog ze zich over het wagentje heen en sloeg haar hand voor de mond van het konijn. Met alle kracht die ze had sleurde ze hem uit het wagentje en gooide hem op het perron.

‘Ik ga mijn hand voor je mond weghalen. Als je ook maar een kik geeft, zorg ik er voor dat je voorlopig niets meer zeggen kan’, zei Lynsie grimmig. ‘Knik als je me begrijpt.’

Het konijn knikte.

‘Goed zo’, zei Lynsie. Ze haalde een paar handboeien uit haar zak en deed ze om zijn polsen. Het konijn begon geluidloos te huilen.

‘Waar zijn Snuf en Snuitje?’ Ze keek hem strak aan, maar hij zei niets. De tranen bleven uit zijn ogen rollen, maar praten deed hij niet. Lynsie stuurde een berichtje naar haar manschappen en keek eens naar het wagentje.

‘Kan jij die aan de praat krijgen?’, vroeg ze.

Het konijn knikte.

‘Dan moesten jij en ik maar eens een ritje gaan maken.’

Ze duwde het konijn voor zich uit en liet hem in het wagentje stappen.

‘Zeg maar wat ik moet doen.’

Het konijn was gestopt met huilen en vertelde Lynsie hoe ze het wagentje moest bedienen. Even later reden ze samen over het spoor en nog wat later reden ze naar buiten.

Snuf en Snuitje werden langzaam wakker. ‘Waar zijn we?’, fluisterde Snuitje. ‘En waar zijn papa en Lola?’

‘Ik weet het niet’, fluisterde Snuf terug. ‘Ik denk dat ze iets in de chocolademelk hebben gedaan en ons daarna hebben meegenomen.’

Er sloeg een deur dicht en ze hoorde het gerammel van pannen.

‘Volgens mij zijn we in een keuken’, fluisterde Snuf.

‘Denk je dat het de keuken is van Woelf?’, vroeg Snuitje angstig. ‘Waarom zien we niets?’

‘Volgens mij zitten we in een houten kist. Voel maar.’

Snuitje streek met haar hand langs de wand. Er plofte iets op de grond en er kwam een klein straaltje licht binnen.

‘Kijk een gaatje’, fluisterde ze. ‘Daar kunnen we door naar buiten kijken, maar ik durf niet.’

‘Laat mij maar.’

Voorzichtig bewoog Snuf zich naar het gaatje en keek er door.

‘Wat zie je?’

‘Ik zie een keuken en Woelf staat voor het fornuis.’

‘Wat moeten we doen?’, vroeg Snuitje angstig.

‘Wist ik het maar’, zei Snuf met trillende stem. ‘Het ziet er slecht voor ons uit Snuitje. Heel erg slecht.’

Woelf liep genietend door de keuken. Hij pakte zijn mes en begon het te slijpen.

‘Weet je waar ik toch zo vreselijk veel van houd’, zong hij vals. ‘Van verse konijnenbout, verse konijnenbout.’

Hij legde het geslepen mes op de tafel en liep naar een plankje met kookboeken. Genietend keek hij naar de titels en koos na kort nadenken het dikste boek. Hij legde het kookboek op de tafel en ging zitten.

‘Konijn à l’orange….., nee. Konijn in rode wijnsaus…, nee. Konijn uit de rookoven…, ja, dat lijkt me wel wat. Even kijken of ik genoeg hout heb.’

Hij stond op en liep de keuken uit.

‘Hij wil ons roken’, gruwelde Snuf.

‘En dat terwijl roken heel erg slecht is voor onze gezondheid’, jammerde Snuitje.

‘Nee, opgegeten worden, dát is goed voor onze gezondheid’, zei Snuf boos. Hij wilde nóg wat zeggen, maar Woelf kwam mopperend de keuken weer in.

‘Geen hout meer en die Bochel is ook nergens te vinden. Ik bestel wel hout online.’

Hij pakte zijn foon en bladerde door zijn apps. ‘Ha, mijn Klonq app. Ja hoor, ze hebben hout. Die types verkopen toch echt van alles. Verzenden… zo spoedig mogelijk…. Even betalen…. Ha! Verzendbevestiging. Vanmiddag heb ik het in huis. Ach wat geeft het ook. Ik heb al zo lang geen konijn meer gegeten. Een ochtendje wachten kan er ook nog wel bij. Weet je waar ik toch zo vreselijk van houd, van verse konijnenbout, verse konijnenbout.’

Zingend liep hij de keuken uit en ze hoorden de deur achter hem dichtslaan.

‘Gelukkig, we hebben een paar uur gewonnen’, zei Snuf. ‘Laten we hopen dat de politie daar genoeg aan heeft.’

—-

Lynsie stapte uit het wagentje. ‘Stap uit’, zei ze tegen het gebochelde konijn. ‘Mijn collega’s zijn inmiddels op zoek naar de vermiste konijnen. Ik heb ze de coördinaten gestuurd van de plek waar ik je heb gevonden. Ik neem je mee naar het bureau en stop je in de cel. Daarna ga ik terug. Onderweg ga je mij vertellen wat je weet, anders loopt het slecht met je af.’

Het konijn begon weer te huilen.

‘Waarom huil je?’, vroeg Lynsie kortaf.

‘Door deze hele nare toestand’, snikte het konijn. ‘Denk je dat ik het leuk vind, dat Woelf die kinderen op gaat eten? Natuurlijk niet! Maar als mijn vrouw en ik hem niet helpen, eet hij onze kleindochter op.’

Hij huilde nu nog harder dan daarnet.

‘Als we hem pakken, eet hij niemand meer op’, zei Lynsie iets vriendelijker. ‘Waar is je kleindochter nu?’

‘Dat weet ik niet’, zei het konijn. ‘Woelf heeft haar ergens mee naar toe genomen, maar we weten niet waarheen.’

‘Dat is niet zo mooi’, dacht Lynsie. ‘Ik ben bang dat die gemene wolf twee oude konijnen chanteert, met een opgegeten kleindochter…’

‘Hoe weet je, dat hij haar niet heeft opgegeten?’, vroeg ze voorzichtig.

‘Hij laat ons iedere week met haar videobellen’, zei het konijn.

Lynsie haalde opgelucht adem. De kleindochter leefde dus nog. Ze stuurde een berichtje naar haar collega’s, want ze waren nu op zoek naar vijf konijnen.

‘Luister’, zei ze tegen het konijn. ‘Wij nemen Woelf gevangen, maar we hebben wél jullie hulp nodig. Vertel me wat je weet.’

Het konijn begon te vertellen en Lynsie luisterde aandachtig.

Snuf keek nog eens door het gaatje. ‘Hij is weg. Het hout komt vanmiddag, dus het zou kunnen dat hij een tijdje wegblijft uit de keuken. Bovendien hebben we niets te verliezen. Opeten doet hij ons toch. Of we proberen te ontsnappen of niet. Weet je Snuitje, ik ga proberen of ik de kist open kan breken.’

Zo hard als hij kon, duwde hij tegen de zijkant van de kist. Er klonk gekraak, maar er gebeurde niets.

‘Kisten hebben deksels’, opperde Snuitje. ‘Waarom proberen we niet of de deksel er los op zit?’

Ze duwden met hun voeten tegen de bovenkant van de kist. Het deksel bewoog.

‘Zag je dat?’, riep Snuf uit. ‘Dat doen we nog een keer, maar dan heel hard. Ik tel. Eén, twee, drie!’

Ze trapten zo hard ze konden. Het deksel vloog er af en kwam in de andere hoek van de keuken terecht. Het licht prikte in hun ogen, maar gelukkig waren ze snel aan het licht gewend. Ze klommen uit de kist en keken rond. De keuken had twee deuren.

‘Zullen we die deur proberen?’, stelde Snuf voor. ‘Ik denk dat het verstandig is om door een andere deur te gaan, dan Woelf.’

‘Dat denk ik ook’, zei Snuitje. Maar voordat we gaan, moeten we het deksel op de kist doen. Als hij binnenkomt en hij ziet het deksel op de grond liggen, weet hij meteen dat we zijn ontsnapt.’

Ze deden het deksel op de kist en liepen naar de deur. Snuitje drukte de deurklink voorzichtig naar beneden. De deur ging open en ze zagen een eenvoudig ingerichte kamer. De kamer werd gebruikt, want de tv stond aan en er stond een beker worteltjesthee op tafel.

‘Oh nee’, kreunde Snuf. ‘De kamer van Woelf!’

‘Nee hoor’, zei Snuitje. ‘Wolven drinken geen worteltjesthee. Hier woont een konijn.’

Ze hoorden iemand aankomen. Angstig keken ze rond, ze wilden zich verstoppen, maar er was geen plek. Ze pakten elkaars hand en bleven dapper staan.’

‘Wie zijn jullie? En wat doen jullie hier?’

De vraag werd gesteld door een mooi konijntje met een droevig gezicht.

‘Wij zijn Snuf en Snuitje. Woelf wil ons opeten, maar we zijn zojuist ontsnapt. En wie ben jij?’, vroeg Snuf.

‘Ik ben Roosje. Woelf houdt mij gevangen. Mijn opa en oma moeten doen wat hij hij zegt, anders eet hij mij op.’

‘Kan jij ons helpen?’, vroeg Snuitje.

Roosje schudde triest haar hoofdje. ‘Nee, anders was ik zelf toch ook al lang ontsnapt. Zelfs als we hier uitkomen, kunnen we niet ontsnappen. Het gangenstelsel is een doolhof en alleen Woelf en mijn opa hebben een kaart.

‘Laat die kaart eens zien!’, gebood Lynsie.

Het oude konijn pakte zijn smartphone en startte een onopvallende app. Lynsie keek op de foon en zag de kaart van een doolhof.

‘Het is een echt doolhof’, zei ze verbaasd.

‘Ja’, antwoordde het konijn. ‘Jaren geleden was het een attractie. Als je een kaartje had gekocht, kon je deze app op je foon downloaden. Lukte het niet om er uit te komen, dan kon je in de app de help optie activeren. Je kon dan zien waar je was en het doolhof uitlopen. De inspectie heeft de attractie gesloten, nadat er iemand verdwaalde en de app niet kon gebruiken, omdat de accu van zijn telefoon leeg was. Het verdwaalde konijn is gevonden en gered, maar hij heeft een enorme schadeclaim ingediend. Het bedrag was zo hoog, dat het park verkocht moest worden en toen heeft Woelf het gekocht.’

‘Kende u de vorige eigenaar?’, vroeg Lynsie.

Het konijn begon weer te huilen. ‘Ik was de vorige eigenaar’, snikte hij. ‘En ik had het park nooit aan Woelf moeten verkopen, maar hij ontvoerde mijn kleindochter en dwong mij het park te verkopen. Ik kon er net de schadeclaim van betalen. Woelf liet ons in het kleine huisje wonen en sindsdien moeten we doen wat hij zegt, anders eet hij Roosje op.’

Lynsie pakte de foon uit zijn handen. ‘Tijd om Roosje en de andere konijnen te redden’, zei ze.

‘Ik ga mee’, zei het konijn.

‘Nee, haal je vrouw en ga met haar naar het politiebureau. Daar zijn jullie veilig. Ik stuur een berichtje dat jullie er aan komen. Wat is de code van je telefoon?’

Het konijn gaf haar de code en Lynsie stond op.

‘Doe voorzichtig’, zei ze.

‘En jij heel veel succes’, kraakte het konijn. ‘Ik reken op je hoor!’

Lynsie glimlachte naar hem en liep het kleine huisje uit. Al lopend stuurde ze een berichtje aan haar collega’s. Nadat ze het verzonden had begon ze te rennen. Er was geen tijd meer te verliezen!

Lynsie kwam aanrennen over het spoor en sprong op het perron, waar ze het gebochelde konijn had gevonden. De andere agenten waren er al en samen liepen ze naar de deur. Ze stak de foon omhoog en liet de kaart zien.

‘Volgens het konijn, zitten Max en Lola in de cel en zitten de kinderen in een kist in de keuken. Waar zijn kleindochter is, weet hij niet. Die moeten we zelf vinden. Laten we beginnen in de keuken.’

Zonder geluid te maken gingen ze naar binnen. De telefoon met de kaart trilde.

‘Goed dat ik het geluid heb uitgezet’, dacht Lynsie. Ze keek op de foon en schrok. Het was een berichtje van Woelf!

‘Ik heb besloten de konijnen te roken. Het hout was op en ik heb een nieuwe voorraad besteld. Waar was je? In het vervolg antwoord je direct, anders eet ik binnenkort nog meer konijnenbout! Zorg dat je om 14:00 uur bij het hek staat, want dan wordt het hout bezorgd.’

Lynsie stuurde een berichtje terug.

‘Sorry Woelf, het zal niet meer gebeuren. Ik heb erge keelpijn en ik ben mijn stem kwijt. Ik was even langs de apotheek voor wat keelpastilles. Om 14:00 uur ben ik bij het hek.’

Ze keek op de klok. Ze hadden nog maar twee uur de tijd om de vermiste konijnen te vinden… Ze dacht snel na.

‘We splitsen het team’, zei ze. Ze wees twee agenten aan. Jullie gaan met mij mee. Wij gaan achter Woelf aan. Jullie gaan de konijnen zoeken en bevrijden’, zei ze tegen de anderen. ‘Zodra ze allemaal gevonden zijn, moeten ze naar het politiebureau worden gebracht. Lola moet in een cel. De rest mag vrij rondlopen, maar bewaak ze goed. Ze mogen pas naar het hotel als Woelf is gearresteerd.’

Eén van de agenten stak zijn hand in de lucht.

‘Wat is er, Pieter?’, vroeg Lynsie.

‘We hebben maar één kaart, wie krijgt de foon mee?’

Lynsie glimlachte. ‘Goeie vraag.’

Ze pakte haar eigen foon en maakte een foto van de kaart. Daarna gaf ze de foon aan Pieter.

‘Succes jongens.’ Ze draaide zich om en wenkte de andere twee.

‘Kom, we hebben geen tijd te verliezen.’

Snuf en Snuitje zaten bij Roosje op de bank. Roosje was naar de keuken om worteltjesthee voor ze te maken. Even later kwam ze terug met de thee en wat koekjes.

‘Wat nou als Woelf terugkomt? Wordt hij dan niet boos?’, vroeg Snuitje.

‘Woelf komt voorlopig niet terug’, zei Roosje. ‘Ik verwacht hem pas over twee uur. Hij komt ‘s-ochtends naar de keuken, dan vertrekt hij en dan komt hij rond twee uur weer terug. Zo gaat dat iedere dag.’

‘Dan hebben we nog twee uur om te ontsnappen’, zei Snuf.

‘Dat lukt jullie niet’, zei Roosje somber. ‘Als jullie blijven, sterven jullie een snelle dood, als jullie verdwalen, zullen jullie langzaam omkomen door honger en dorst.’

‘Wat ben jij een pessimist’, zei Snuitje. ‘We gaan proberen om te ontsnappen hoor! We blijven hier niet wachten totdat Woelf het tijd vindt om ons op te eten! Waarom ga je niet mee?’

‘Dan gebeurt er iets ergs met mijn opa en oma’, huilde Roosje.

Snuitje legde troostend haar arm om Roosje heen.

‘Het komt allemaal goed’, troostte ze. ‘Dank voor de thee met koekjes. Als het ons lukt om te ontsnappen, gaan we naar de politie. Die weten vast wel raad. Het beste Roosje!’

Roosje zat verdrietig met haar koekjes voor de tv. Ze was graag met Snuf en Snuitje meegegaan, maar ze durfde niet. Woelf had haar uitgelegd wat hij met haar opa en oma zou doen als ze ontsnapte…. De deur van de keuken ging open. Ze schrok. Het was pas half twaalf. Haar maag kneep samen. Als Woelf Snuf en Snuitje maar niet tegen was gekomen… Ze legde haar oor op de deur en luisterde. Er klonk een stem, maar het was niet de stem van Woelf. De deur ging open en Roosje, die tegen de deur leunde, wist zich maar net staande te houden. Voor haar stonden drie agenten.

‘Hallo, ik ben Pieter’, zei de agent die het dichtste bij haar stond. ‘Wie ben jij?’

‘Ik ben Roosje’, zei ze.

‘Dan ben jij de kleindochter van het gebochelde konijn’, zei Pieter. ‘Jij bent de eerste van de vijf die we zoeken.’

‘Als Woelf ontdekt dat ik weg ben, doet hij iets verschrikkelijks met mijn opa en oma’, zei Roosje huilend.

Pieter keek haar vriendelijk aan. ‘Nee hoor’, zei hij. ‘Je opa en oma zijn bij ons op het bureau en worden streng bewaakt. Weet jij toevallig waar Snuf en Snuitje zijn?’

Roosje knikte. Ze was opgelucht dat haar opa en oma veilig waren, maar ze maakte zich zorgen om haar nieuwe vrienden.

‘Ze zijn ontsnapt, ze zijn ongeveer een half uur geleden weggegaan. Waren ze maar hier gebleven, dan waren ze nu ook gered.’

Ze begon weer te huilen. Pieter keek haar ernstig aan.

‘Je gaat met ons mee Roosje, maar je moet heel erg stil zijn. Niet meer huilen. We gaan Max en Lola bevrijden. Daarna brengen we jullie naar het bureau en gaan we terug om Snuf en Snuitje te zoeken.’

Pieter keek op de kaart. ‘Deze kant op’, zei hij.

Na een tijdje lopen stonden ze voor de cel waar Max en Lola inzaten. Max en Lola hadden slaande ruzie. Het aanfloepende licht deed ze stoppen en gespannen keken ze naar de deur.

‘Gelukkig!’, riep Max uit. ‘Het is de politie! Hoe hebben jullie ons gevonden? Waar zijn Snuf en Snuitje?’

Pieter maakte de cel open en liet Max en Lola er uit. Lola werd meteen in de boeien geslagen. Ze schopte en sloeg om zich heen, maar de agent slaagde er in een doek voor haar mond te doen en gooide haar over zijn schouder.

‘We weten niet waar ze zijn’, zei hij verontschuldigend. ‘We brengen jullie eerst in veiligheid en dan gaan we weer naar ze op zoek. Lynsie is met twee agenten op zoek naar Woelf. We hebben inmiddels genoeg getuigen om hem achter de tralies te krijgen. Hij moet alleen nog gevonden worden.’

Zwijgend liep Max achter de agenten aan. Ineens draaide hij zich om en rende weg.

‘Kom terug, je hebt geen kaart!’, riep Pieter hem na.

Max luisterde niet. Hij wilde maar één ding, zijn kinderen vinden.

Snuf en Snuitje liepen door een donkere tunnel. Helemaal donker was het niet. De muren gaven een beetje licht. Niet veel, maar net genoeg om te zien waar ze hun voeten neerzetten. Snuf pakte zijn foon. Hij had geen bereik, maar het kompas deed het wel.

‘Weet je Snuitje, stel dat het een echt doolhof is, dan moeten we er voor zorgen dat we geen rondjes gaan lopen. Ik stel voor dat we naar het noorden gaan.’

‘Waarom het noorden?’

‘De pijl van het kompas wijst naar het noorden.’

Na een tijdje lopen zagen ze een spoor.

‘Zullen we het spoor volgen?’, stelde Snuitje voor.

Snuf dacht even na.

‘Laten we het maar doen’, zei hij. ‘Een spoor gaat altijd wel ergens naar toe en als het doodloopt, gaan we gewoon weer terug.’

Zwijgend liepen ze verder. Opeens bleef Snuitje staan.‘Kijk!’ ze wees met haar vinger naar een perron. Er stond een attractie wagentje voor.

‘Als we instappen, komen we misschien wel bij de uitgang’, fluisterde Snuf.

Voorzichtig liepen ze naar het wagentje toe. Er ging een deur open. Het perron en het wagentje werden in één klap verlicht. Snel doken ze achter het wagentje en dat was maar goed ook, want door de deur stapte een nietsvermoedende Woelf. Hij zong nog steeds zijn konijnenbout lied. Snuf en Snuitje voelden de rillingen langs hun rug lopen. Woelf stapte in het wagentje en reed weg.

‘Wat gaan we doen?’, vroeg Snuitje.

‘Kijken of die deur open is’, antwoordde Snuf. ‘Wie weet is het wel een uitgang naar het park.’

Voorzichtig klommen ze op het perron. Snuf voelde aan de deur. Hij ging open! Zachtjes slopen ze naar binnen. Het licht ging aan en toen zagen ze waar ze waren. Ze stonden in de woning van Woelf!

Max liep al een tijdje door het doolhof. Hij begon zich af te vragen of het wel verstandig van hem was geweest, om zelf zijn kinderen te gaan zoeken. Hij schudde de gedachte van zich af. Het idee dat zijn kinderen hier ergens rondliepen deed hem huiveren.

‘Gelukkig zijn ze slim en met z’n tweeën’, dacht hij. Hij voelde een zuchtje wind en toen werd het zwart voor zijn ogen.

‘Wees in het vervolg wat voorzichtiger’, zei Lynsie. Ze keek de agent die Max had neergeslagen boos aan. ‘Je kan niet zomaar iedereen buiten westen slaan hoor. Zie je niet dat zijn oren een hele andere vorm hebben. Dat zijn toch geen wolvenoren! Nu verliezen we kostbare tijd!’

Max kwam kreunend bij.

‘Gaat het?’, vroeg Lynsie vriendelijk. ‘Sorry van de klap, die komt van mijn over ijverige collega. Zullen we je naar buiten brengen?’

‘Dat kost teveel tijd’, kreunde Max. ‘Het gaat wel met me, we moeten Snuf en Snuitje vinden.’

Met een van pijn vertrokken gezicht stond hij op. ‘Kom, we gaan verder’, zei hij dapper.

Snuf en Snuitje liepen door de woning van Woelf.

‘Nergens aankomen hoor!’, waarschuwde Snuf zijn zusje. ‘Alles moet er precies zo uitzien als toen hij vertrok. Heb jij een idee waar hij naar toe is?’

‘Misschien is hij wel helemaal niet naar het park in dat karretje. Het is onhandig, als je steeds een attractie wagentje nodig hebt om je huis uit te komen. Wie weet is er een deur naar buiten en kunnen we ontsnappen.’

‘Jij bent echt een heel slim zusje’, zei Snuf trots. ‘Je hebt gelijk. We gaan op zoek naar de uitgang. Die moet er zijn!’

Lynsie draaide zich om. Ze wilde iets tegen haar team zeggen, maar haar team was weg. Max ook! Voordat ze iets kon zeggen dreunde er iets met grote kracht op haar hoofd. Voordat ze haar bewustzijn verloor, hoorde ze een akelige diepe lach.

‘Hij komt terug! Verstop je!’

Snuf trok zijn zusje achter de dichtstbijzijnde bank en samen maakten ze zich zo klein als ze maar konden. Woelf kwam de kamer binnen en plofte op de bank. Snuf deed zijn vinger op zijn lippen en keek Snuitje doordringend aan. Snuitje knikte.

‘Sukkels’, bromde Woelf. ‘Ik slinger ze na mijn konijnenboutjes wel in de cel. Wacht eens, dat ene konijn komt mij heel erg bekent voor…’

Hij dacht na. Toen schudde hij met zijn hoofd. ‘Nee, ik zal mij wel vergissen’, mompelde hij. ‘Weet je waar ik toch zoveel van houd? Verse konijnenbout, verse konijnenbout.’ Woelf zong uit volle borst en grijnsde. Hij keek op zijn foon.

‘Nog een uurtje, dan komt mijn hout. Hout, konijnenbout. Haha, dat rijmt. Hij deed zijn tv aan, leunde achterover en viel in slaap.

Snuf en Snuitje kwamen zachtjes achter de bank vandaan en deden de deur voorzichtig open. Snuitje sloeg haar hand voor haar mond en onderdrukte een gil. In de hal zaten drie vastgebonden en geknevelde agenten en een konijn dat sprekend leek op hun vader. Voorzichtig liepen ze naar de konijnen toe. Ze waren allemaal buiten bewustzijn en de agente had een flinke bult op haar hoofd.

‘Hij lijkt op papa’, fluisterde Snuitje.

Snuf keek haar bezorgd aan. ‘Hij lijkt niet alleen op papa, het is papa.’

Ze probeerden hun vader wakker te maken, maar wat ze ook probeerden, het lukte niet.

‘Wat nou als Woelf er achter komt dat we ontsnapt zijn’, fluisterde Snuitje.

‘Daar wil ik niet aan denken’, fluisterde Snuf terug. ‘We krijgen ze niet wakker, wat moeten we doen?’

‘We maken de knopen van hun touwen losser, dan kunnen ze zelf ontsnappen’, fluisterde Snuitje.

Nadat ze de touwen losser hadden gemaakt, zochten ze samen verder naar de uitgang.

‘Ik ga het hout bezorgen. Woelf wordt achterdochtig, als ik niet kom opdagen en bovendien gaat hij mij vragen om het vuur van de rookoven aan te steken. Hoe langer ik doe over het aansteken, hoe meer tijd de agenten hebben om Max en de kinderen te vinden. Zodra de vermiste konijnen terecht zijn, leid ik de agenten naar Woelf. Dan kunnen ze hem arresteren.’

Het gebochelde konijn stond op en keek de agenten moedig aan. Pieter dacht even na.

‘Goed dan’, zei hij. ‘Het is riskant, maar de moeite van het proberen waard. Hier is je telefoon. O ja, nog een dingetje, Woelf denkt dat je keelpijn hebt, probeer een beetje schor te praten. Succes!’

Het gebochelde konijn nam afscheid, gaf zijn vrouw en kleindochter nog een extra knuffel en liep met zijn kruiwagen naar het hek.

‘Ben je daar eindelijk’, brulde Woelf tegen het gebochelde konijn. ‘Hoe lang heb jij nodig om een paar blokjes hout te vervoeren!’

Het konijn wees op zijn keel. ‘Ik ben niet lekker’, kraakte hij. ‘Dan gaat alles langzamer. Zal ik het vuur voor je aanmaken?’

Woelf’s ogen glommen.

‘Graag’, gromde hij. ‘Vertel maar wanneer je tevreden bent over je vuurtje. Dan haal ik mijn konijnenboutjes op.’

Neuriënd liep hij terug naar de huiskamer.

Zodra Woelf weg was haalde het oude konijn het hout uit het attractie wagentje en legde het op het perron. Daarna ging hij naar binnen om zijn kruiwagen te halen. Hij nam de dienstingang. De ingang was in het donker niet te zien. Je moest weten dat hij er was. De dienstingang kwam uit op dezelfde gang, waar Woelf de agenten en Max had neergelegd. Ze lagen er nog steeds en het gebochelde konijn bleef geschrokken staan. Lynsie gaf hem een knipoog. Een beetje gerustgesteld liep hij verder om zijn kruiwagen te halen. Woelf kwam zijn huiskamer uit en grinnikte.

‘Die sukkels breng ik weg als ik gegeten heb. Ik heb ze gevonden in het doolhof. Stelletje pottenkijkers. Die kunnen we hier niet gebruiken, hè, Bochel.’

Het gebochelde konijn keek bezorgd.

‘Wat is er, wat kijk je?’, bromde Woelf.

‘Je kan toch niet zomaar drie agenten en een parkbezoeker laten verdwijnen’, zei het konijn bezorgd. ‘Die gaan ze zoeken hoor!’

Woelf lachte hard. ‘Jaja, maar die gaan ze niet vinden hoor’, bouwde hij het konijn na. ‘En jij zegt ook niets en we weten allebei waarom, toch, Bochel.’

Hij sperde zijn mond wijd open en klapte zijn kaken hard op en neer.

‘Yummie’, grijnsde hij.

Het gebochelde konijn liep hoofdschuddend weg. ‘Ik ga het hout ophalen’, kraakte hij. ‘En daarna steek ik de oven voor je aan.’

Snuf en Snuitje waren nog steeds op zoek naar de uitgang. De ondergrondse woning van Woelf was groot en had heel veel kamers, maar geen enkele kamer had een trap en ramen hadden de kamers ook niet. Moedeloos keken ze elkaar aan.

‘Ik denk dat we alleen naar buiten kunnen via het doolhof’, zei Snuitje vermoeid.

Snuf knikte. ‘Ja, dat denk ik ook. Laten we maar teruggaan.’

‘Maar hoe komen we bij het perron als Woelf thuis is’, vroeg Snuitje.

‘We verstoppen ons, totdat hij weer weggaat.’

‘Weet jij waar we zijn? We hebben zoveel kamers gezien, ik weet niet meer hoe we terug moeten.’

‘Volgens mij moeten we die kant op,’ zei Snuf, ‘maar zeker weten doe ik het niet.’

Het gebochelde konijn had het vuur hoog opgestookt. Hij had er heel lang over gedaan. Woelf was een paar keer komen kijken en nu was hij het zat. Zijn goede humeur was verdwenen en hij was boos.

‘Waarom duurt het zo lang’, grauwde hij.

‘Het hout heeft een slechte kwaliteit’, antwoordde het konijn. ‘Ik denk dat het nat is geweest, maar nu is de oven klaar.’

Woelf keek een beetje vriendelijker. ‘Ga maar. De rest doe ik zelf wel. Tot morgen.’

‘Tot morgen Woelf’, zei het konijn. Hij ging de deur uit en stapte in het attractie wagentje. In de verte hoorde hij een woedende schreeuw. Het wagentje reed met hoge snelheid het daglicht in. Het konijn haalde opgelucht adem.

Woelf was woedend. Niet alleen Snuf en Snuitje waren ontsnapt. Roosje was ook weg!

‘Die smeerlap!’, brulde hij. ‘Hij wist het en hij heeft expres zo lang gedaan over het aanmaken van het vuur.’ Hij stak zijn snuit in de lucht en haalde diep adem.

‘Maar ik ruik ze nog’, gromde hij. ‘Malse jonge konijnen…., niet die vier in de gang…., nee….., ze zijn er nog!’

Met zijn snuit in de lucht liep hij door het ondergrondse penthouse. Hij rook en hij snoof en toen stond hij stil. Hij legde zijn klauw op de deurklink en opende de deur met een ruk.

‘Kom maar tevoorschijn’, brulde hij. ‘Ik weet dat jullie er zijn!’

In het midden van de kamer stond een bed. Triomfantelijk liep hij er op af en maaide met zijn arm heen en weer onder het bed.

Snuf en Snuitje beten hem zo hard ze konden, maar het hielp niet. Woelf trok zijn arm terug en sleepte ze onder het bed vandaan.

‘Zo, in de oven met jullie’, grijnsde hij. ‘Weten jullie waar ik zo van houd? Verse konijnenbout. Bulderend van het lachen nam hij ze mee naar de rookkamer.

Lynsie stond op. Ze had de touwen losgemaakt en ze wreef over haar pijnlijke spieren. Om geen argwaan te wekken, had ze de hele tijd in dezelfde houding gezeten en daar was ze een beetje stijf van. De anderen hadden er ook last van. Max nog het meeste. Drie keer achter elkaar buiten bewustzijn raken, was meer dan hij aankon en hij lag stilletjes op de grond. Lynsie zorgde ervoor dat hij wat comfortabeler lag en liep toen voorzichtig naar de deur van de rookkamer. Ze legde haar hand op de deurklink en deed de deur zachtjes open. Woelf zag haar niet, hij was druk bezig met het slijpen van zijn mes. Snuf en Snuitje stonden hand in hand en keken hem angstig aan. Ze wenkte naar de andere agenten, voorzichtig liepen ze naar haar toe, maar één van de twee struikelde over de drempel. Woelf draaide zich bliksemsnel om en liep dreigend met het mes op ze af.

‘Hier moet je zijn!’, riep Lynsie.

Woelf draaide zich om naar Lynsie. Hij wilde haar steken met het mes, maar de vloer was glad en hij wankelde een beetje.

Snuf en Snuitje rende naar hem toe en gaven hem een flinke duw. Woelf wankelde nog meer en stak met het mes naar Snuf en Snuitje. Ze doken behendig weg en duwde hem nóg een keer. Dit keer viel Woelf achterover, de rookoven in. Hij brulde het uit. De agenten wilden hem helpen, maar hij stak naar ze met zijn pas geslepen mes. Brullend probeerde hij de oven uit te komen, maar hij struikelde nog een keer en dit keer verdween hij helemaal.

‘Weet je waar ik helemaal niet van houd’, grijnsde Snuf.

‘Van wolvenbout’, grinnikte Snuitje.

Hoe het verder ging? Woelf had geen erfgenamen en Isnietland werd het eigendom van gemeente Ur Stad. De opa van Roosje had een heleboel verstand van pretparken en samen met zijn vrouw werd hij aangesteld als parkbeheerder. Snuf en Snuitje werden grote vrienden met Roosje en mochten iedere vakantie bij Roosje logeren en zo vaak als ze wilden naar Isnietland. Lola moest weer naar de gevangenis en Max plaatste nooit meer een advertentie op Find Ur Love. Niet omdat hij genoeg had van de liefde, maar omdat hij zijn nieuwe grote liefde had gevonden. Hij trouwde met Lynsie en ze leefden nog lang en gelukkig.