Meneer Duister

Meneer Duister voelde zich al een tijdje niet zo lekker. Zijn huisarts had niets kunnen vinden en had hem doorgestuurd naar het ziekenhuis. Daar zat hij nu te wachten en zoals gewoonlijk liep het spreekuur uit.

‘Meneer Duister.’ Een vriendelijke dame achter de receptie riep hem. Hij stond op en liep naar haar toe.

‘Dokter Slager heeft net gebeld. De stroom in zijn wijk is uitgevallen en hij moet naar huis. Het spijt hem vreselijk, maar we moeten helaas een nieuwe afspraak maken.’

Meneer Duister zuchtte. Had hij hier al die tijd voor niets zitten wachten! Hij keek naar buiten en zag dat het al donker begon te worden. Het was bijna de kortste dag van het jaar en de straatlantaarns floepten aan. De baliemedewerkster keek in de agenda.

‘Dat wordt volgend jaar ben ik bang’, zei ze vriendelijk.

Meneer Duister haalde zijn schouders op.

‘Dat moet dan maar’, antwoordde hij ontevreden.

Met het afsprakenkaartje in zijn zak liep hij het ziekenhuis uit. Hij voelde in zijn jaszak en schrok. Zijn autosleutels! Weg! Paniekerig zocht hij in zijn binnenzak. Gelukkig. Gevonden. Inmiddels was hij bij de betaalautomaat aangekomen. Hij stopte de parkeerticket in de automaat en schrok van het bedrag.

‘Als je niets mankeert, wordt je wel ziek van het parkeergeld’, mopperde hij. ‘Gelukkig kan je tegenwoordig pinnen.’

Nadat hij betaald had, liep hij naar zijn auto. Het was een donkere auto met verduisterde ramen. Hij had het ding jaren geleden voor weinig op de kop kunnen tikken. Niemand wilde de auto hebben. Het verhaal ging dat het de auto van een crimineel was geweest en dat er geregeld lijken in de kofferbak hadden gelegen. Nadat de crimineel zelf slachtoffer was geworden van zijn duistere praktijken, was de auto geveild door zijn schuldeisers en was het voertuig in het bezit van meneer Duister gekomen. Het rook niet lekker in de auto, maar Duister gaf de schuld aan de vele sigaretten die in de auto waren gerookt. Hij was niet van plan om zich te laten intimideren door de spookverhalen die over de wagen de ronde deden. Wel voelde hij zich sinds hij de auto in zijn bezit had niet lekker, maar dat weet hij aan toeval.

Hij stapte in en reed naar huis. Een fietser schoot voor hem langs de voorrangsweg op. Duister zwaaide met zijn vuist. Niet dat het uitmaakte. Door de verduisterde ramen kon niemand zien wat hij in de auto deed. Als hij zou willen zou hij bloot in de auto kunnen stappen en een rondje langs het politiebureau kunnen rijden, maar zo was meneer Duister niet.

Hij was bij zijn huis aangekomen en stapte uit. De hele straat was versierd met lichtslangen. ‘Nog één lichtslang erbij en de stroom zou hier ook spontaan uitvallen’, bromde hij. Het idee deed hem glimlachen. Dat stond hem niet. Het zag er uit als de grimas van een duistere clown met een ranzig publiek. Hij opende zijn voordeur en raapte de post van de mat. Er zat een kaart bij en ondanks de tijd van het jaar, verbaasde hem dat. Nadat hij water had opgezet voor thee en zijn jas had opgehangen, maakte hij de envelop open. De kaart was gestuurd door iemand die hij niet kende. Hij draaide de envelop om en keek naar het adres. De kaart was wèl aan hem geadresseerd. Raar. Hij haalde zijn schouders op en liep naar de keuken om thee te zetten. Binnen ging de tv vanzelf aan. Geschrokken liep hij terug naar de huiskamer. Mopperend op de techniek pakte hij de afstandsbediening en drukte op de uitknop. De tv ging niet uit. Hij drukte nog een keer en liep toen naar de tv toe om op de uitknop te drukken. Ook dat werkte niet.

‘Hallo Duister.’

Meneer Duister keek verbaasd naar het scherm.

‘Hoe bevalt de auto?’

‘GGGgoed,’ stotterde meneer Duister. ‘Hij stinkt alleen een beetje.’

De man op het scherm grinnikte. ‘Dat klopt, daar heb ik erg mijn best voor gedaan, voor ik stierf.’

Meneer Duister huiverde, maar vermande zich en keek dapper naar het scherm. ‘Tsja, roken is slecht voor de gezondheid hè, daar bent u een beetje te laat achtergekomen ben ik bang.’

‘U kent het verschil niet tussen de restlucht van een lijk en die van een sigaret?’

Meneer Duister haalde zijn schouders op. ‘Nou en? Moet dat dan? De ene lucht gaat voor de andere uit, als je het mij vraagt.’

De man op het scherm lachte donker. ‘De auto stinkt zo, omdat ik er nogal wat lijken in vervoerd heb. Ik was huurmoordenaar.’

‘Dan was je een slechte,’ pareerde meneer Duister, ‘want ik heb de auto van je schuldeisers gekocht. Zoveel verdiende je niet met je gemoord.’

‘Hou je mond en luister. Als het goed is, is vandaag mijn kaart aangekomen, kras de laag van de bovenkant.’

‘Waarom?’

‘Doe het!’

Meneer Duister pakte de kaart en kraste. De naam van het gemeente zwembad verscheen, samen met twee nummers.

‘Wat moet ik hier mee?’, vroeg hij.

‘Het eerste nummer is het nummer van het kluisje en het tweede nummer is de code om het kluisje te openen. Ga naar het zwembad.’

‘Maar ik hou helemaal niet van zwemmen…’

‘Doe het!’

Meneer Duister stapte in zijn auto en reed naar het zwembad. Hij kocht een kaartje en ging naar binnen. Na kort zoeken vond hij het kluisje. Nieuwsgierig toetste hij het nummer in. In het kluisje lag een staatslot. Hij haalde het lot er uit en ging naar huis. Opgewonden checkte hij het nummer. Het was het winnende staatslot! Hij was miljonair! Iemand schudde aan zijn arm en riep zijn naam.

‘Meneer Duister! Meneer Duister!’

Langzaam werd hij wakker.

‘We hebben niets gevonden hoor, u bent helemaal gezond.’

Meneer Duister keek de verpleegster woedend aan.

Ze haalde haar schouders op. Soms begreep ze niets van haar patiënten. Dan tastte ze volledig in het duister…..

 

Advertenties