De Dreiging van Planeet Lupo Hoofdstuk 1. Evil’s plan

E. Vil’s plan

Lupus stond op en hij liep langzaam naar Vil toe. Zijn ogen fonkelden boosaardig. Vil huiverde en hij deed een stapje achteruit.

‘Dus jij bent hier gekomen om ons een planeet aan te bieden waar konijnen wonen? Wat wil je daar voor terug?’

Vil deed nog een stapje achteruit en met bevende stem antwoordde hij: ‘Jullie de konijnen en ik de planeet.’

De wolvenkoning keek hem geïnteresseerd aan.

‘Een hele planeet vol met konijnen. Dat is voedsel voor jaren.’

Vil knikte opgelucht. ‘Ja en ik geef jullie er gratis diepvriezers bij.’

Lupus gooide zijn hoofd in zijn nek en lachte bulderend. ‘Diepvriezers’, brulde hij. ‘Hoor je dat Lupita, hij wil ons diepvriezers geven.’

De wolvenkoningin keek Vil spottend aan. ‘Wij hebben geen diepvriezers nodig. Onze hele planeet is een diepvries. Als het -10 is, hebben we een warme dag.’ Ze ging naast haar man staan en keek Vil likkebaardend aan. ‘Hij ziet er lekker uit Lupus.’

Lupus glimlachte. ‘Heb je trek? Nog even wachten’, fluisterde hij zachtjes. ‘Ik ben nog niet klaar met hem.’

‘Wat zei je?’, vroeg Vil angstig.

‘Ik stel hier de vragen’, snauwde Lupus. ‘Waarom wil jij die planeet hebben?’

‘Het is een mooie schone planeet. Als de konijnen weg zijn, kunnen er mensen wonen. Planeet Ur wordt van mij. Ik ga een heleboel geld verdienen met het verkopen van huizen en grond.’

‘Waar is die planeet? Hij staat niet op onze kaart. Je bent toch geen verhaaltje aan het verzinnen hè?’

‘Nee, echt niet. Jullie kunnen Planeet Ur niet zien, omdat het een platte planeet is.’

‘En hoe lang duurt de reis er naar toe?’

‘Met mijn ruimteschip doe je er een kleine drie uur over.’

‘Dus als ik het goed begrijp, wil jij de bevolking van een hele planeet uitroeien om geld te verdienen?’

Vil werd rood. Hij wilde antwoorden, maar de woorden bleven in zijn keel steken, dus knikte hij maar. De wolvenkoning ontblootte zijn tanden en dook op hem af. Hij zette zijn tanden in Vil’s vlezige nek en beet hem dood.

‘Ik ben klaar met hem Lupita, hij is van jou.’

Lupus gaf zijn vrouw een lik en hij liep de troonzaal uit.

‘Waar blijft hij toch!’ De piloot stond op en keek nerveus door het raam. Het landschap zag er dreigend uit en er hing een vreemde sfeer. Vil was afgehaald door een groep wolven. De missie was uiterst geheim en niemand had mee gemogen. Inmiddels hadden ze al meer dan vier uur gewacht en het werd bijna donker. Hoewel hij zijn uiterste best had gedaan om ijsafzetting op de vleugels te voorkomen, zag hij langzaam een klein laagje ijs ontstaan. Het was koud op Lupo. IJskoud. Nog even en ze konden niet meer opstijgen. Voor de zoveelste keer probeerde hij Vil te bereiken. Vil nam niet op. Hij pakte zijn verrekijker. Dit keer zag hij meer dan een witte vlakte. Er kwam een groep wolven aan!

‘We vertrekken’, brulde hij. ‘Ga zitten en maak je riem vast.’

Hij rende naar de cockpit, ging zitten en drukte op de startknop. Een paar angstige seconden leek het alsof de motor niet wilde starten, maar toen begon het schip te trillen en steeg het langzaam op. De piloot haalde opgelucht adem en zette koers naar Mars. Nadat hij de automatische piloot had geactiveerd stond hij op en ging hij de cabine in.

‘Waarom ben je zonder Vil vertrokken, Jack?’

De vraag werd gesteld door Pietersen, Vil’s assistent. Hij was aan boord van het ruimteschip gebleven. Vil had hem niet mee willen nemen en dat had hij helemaal niet erg gevonden. Zijn baas deed wel vaker zaken zonder hem. Zaken waar Pietersen liever niets van af wilde weten.

Jack keek hem ernstig aan. ‘Vil zou niet langer dan een uurtje wegblijven, maar inmiddels is het vier uur geleden sinds hij is opgehaald en toen ik door de verrekijker keek, zag ik een groep wolven onze kant opkomen. Zonder Vil.’

Pietersen trok wit weg. ‘Denk je dat ze hem vermoord hebben?’

Jack knikte. ‘Ik heb hem een paar keer geprobeerd te bellen, maar hij nam niet op. De wolven die ik door de kijker zag, zagen eruit alsof ze naar een feestmaal gingen. Ik ben blij dat de motor startte.’

Pietersen stond op en schonk zichzelf een borrel in.

‘Jij ook één?’, vroeg hij.

Jack schudde zijn hoofd. ‘Nee dank je, ik moet nog vliegen.’

Pietersen glimlachte. ‘Dom van me.’ Hij ging zitten en nam een slok van zijn drankje. ‘Zodra we op Mars zijn neem ik contact op met Aarde. Ik heb geen flauw idee wat we moeten doen. Wist ik maar wat Vil met die Lupus te bespreken had.’

‘Heb je helemaal geen idee?’

Pietersen schudde zijn hoofd. ‘Nee, geen idee.’

Er waren twee konijnen, die wél wisten wat Vil met Lupus te bespreken had. Dat waren Jim en Lola. In het uiterst geheim had Vil ze laten bevrijden uit Urkatraz. Hij was naar ze toegevlogen in zijn privé ruimteschip en hij had ze een voorstel gedaan. Ze waren op zijn voorstel ingegaan en nu waren ze op Mars. Daar zou Vil ze verdere instructies geven.

Ondanks dat ze de opdracht hadden gekregen om met niemand contact op te nemen, had Lola de verleiding niet kunnen weerstaan. De kans was te mooi om aan haar neus voorbij te laten gaan. Op de Planetaire Feestdag had ze de speech van Langhaar overgenomen en Planeet Ur bedreigd. Ze leunde genietend achterover. Wat een heerlijk moment was dat geweest.

‘Toch was dat heel onverstandig van je’, mopperde Jim. ‘Nu weet iedereen dat we zijn ontsnapt. En vertellen dat we terugkomen, met een onbekende vijand was ook niet erg slim. We kunnen ze nu niet meer verrassen. Langhaar en Jacques zijn niet gek. Die gaan maatregelen treffen.’

‘Wat kan jij toch verschrikkelijk zeuren.’ Lola keek Jim verveeld aan. ‘Laat mij gewoon lekker genieten van mijn dreigement. Maatregelen treffen! Hoe kunnen ze maatregelen treffen als ze niet weten wat er gaat gebeuren? Ik heb angst gezaaid en daar geniet ik van.’

Ze nipte van haar drankje en keek Jim lief aan. ‘Kom op Jimmy, gun me een pleziertje. Wat ze ook bedenken, ze kunnen onmogelijk raden wat Vil van plan is. Dat weet je toch wel?’

Jim ging mokkend naast haar zitten. ‘Je zal wel gelijk hebben’, zei hij. ‘Maar je had het toch niet moeten doen.’

‘Meneer Pietersen!’ Pietersen keek geïrriteerd naar de op een drafje aankomende secretaresse. Hij had helemaal geen tijd. Hij moest zo snel mogelijk met Aarde bellen om te vertellen dat Vil werd vermist en hij wilde niet gestoord worden.

De secretaresse liet zich niet afschrikken door zijn geïrriteerde blik en glimlachte vriendelijk naar hem. ‘Fijn dat u er weer bent meneer Pietersen. Er wachten twee Ur-konijnen op meneer Vil. Ze zitten hier al de hele ochtend. Weet u waar meneer Vil is? Het is een belangrijke afspraak, want hij heeft er drie andere afspraken voor afgezegd.’

Pietersen keek op zijn horloge. ‘Stuur ze maar naar mij. Meneer Vil is tijdens de reis naar Lupo ziek geworden. Ik leg het ze wel uit en daarna stuur ik ze weg.’

De secretaresse knikte opgelucht en liep weg om de bezoekers op te halen.

_______

‘Goedemiddag, mijn naam is Pietersen. Wat kan ik voor jullie doen?’

De assistent van Vil liep met uitgestoken hand naar Jim en Lola toe. Lola negeerde de uitgestoken hand en keek hem hooghartig aan.

‘Wij praten niet met een assistent. Wij praten alleen met E. Vil zelf.’

‘Dat gaat helaas niet’, antwoordde Pietersen. Hij negeerde Lola’s onvriendelijke gedrag en glimlachte vriendelijk. ‘Meneer Vil is ziek geworden en voorlopig wordt hij niet beter. Hij heeft mij gevraagd om voor hem in te vallen. Jullie zullen het met mij moeten doen of weer naar huis moeten gaan.’

Jim en Lola keken elkaar aan.

‘Laten we maar met hem praten’, fluisterde Jim in Lola’s oor. ‘We kunnen niet terug, want dan worden we gearresteerd.’

Lola haalde haar schouders op. ‘Vooruit dan maar. Als Vil ziek is hebben we geen keuze. Bied je ons geen stoel aan?’

Pietersen ging achter zijn bureau zitten en gebaarde naar de twee lege stoelen aan de andere kant. ‘Vertel eens, wat kan ik voor jullie doen?’

‘Wij hebben vervoer nodig naar Lupo’, antwoordde Lola.

De handen van Pietersen begonnen te trillen. ‘Juist’, zei hij, zijn stem met moeite controlerend. ‘En waarom, als ik vragen mag?’

Lola trok haar wenkbrauwen op. ‘Voor een assistent ben je niet erg goed ingelicht.’

Pietersen dacht snel na. ‘Jullie moeten mij precies vertellen, wat jullie hier komen doen en waarom. Meneer Vil heeft mij dat opgedragen. Zo kan ik controleren of jullie echt de Urianen zijn, met wie hij een afspraak heeft.’

Lola zuchtte en rolde met haar ogen. ‘We zaten gevangen in Urkatraz en Vil heeft ons laten bevrijden met zijn privé ruimteschip. In ruil daarvoor moeten we naar Lupo. We moeten koning Lupus vertellen over Planeet Ur en een kaart voor hem tekenen. Vil heeft een deal gesloten met Lupus. Lupus krijgt de bevolking van Ur en Vil krijgt de planeet. Hij is van plan om de huizen van de Urianen te verkopen aan rijke mensen. Ook wil hij een vakantieresort aanleggen. Zelf gaat hij in het kasteel van Fur wonen en wij mogen de derde verdieping hebben.’

Pietersen was lijkbleek geworden.

‘Wat zie je wit’, zei Lola spottend. ‘Hebben we je meer details gegeven dan Vil zelf?’

Pietersen schudde zijn hoofd. ‘Nee’, bracht hij met moeite uit. Ik denk dat ik last heb van hetzelfde virus als meneer Vil. Sorry, maar ik moet even naar het toilet.’

Hij stormde zijn kantoor uit, rende naar de toiletruimte, rukte de deur open van het dichtstbijzijnde toilet, boog zich over de toiletpot en braakte.

‘Dus Vil is verdwenen en hoogstwaarschijnlijk opgegeten’, zei Edgar. ‘En zelfs zijn assistent wist niet wat hij op Lupo ging doen. Wat een rare toestand. Ik weet niet veel van Lupo, ik ben er altijd uit de buurt gebleven. Het is een van de koudste planeten en er wonen wolfachtigen. Wat had Vil daar te zoeken?’

‘Geen idee’, antwoordde Jack. ‘Ik vind het ook een rare toestand. Daarom heb ik je meteen gebeld. Pietersen is naar kantoor gegaan om hulp te vragen aan Aarde. Maar je weet hoe dat gaat. Voordat ze daar een beslissing hebben genomen zijn we minstens een week verder. Als ze besluiten om ons te komen helpen moeten ze nog naar ons toekomen en dan zijn we zo een paar maanden verder. We moeten Langhaar om hulp vragen, die kan hier veel sneller zijn.’

Edgar schrok. ‘Het zal toch niet hè’, zei hij zachtjes.

Jack keek Edgar nieuwsgierig aan. ‘Wat bedoel je?’

‘Een paar maanden geleden heeft Vil met Langhaar gesproken. Hij wilde een vakantieresort aanleggen op Planeet Ur en een deel van de planeet aan rijke mensen verkopen. Langhaar heeft hem toen heel duidelijk gemaakt dat hij dat wel kon vergeten en hij heeft hem boos op de shuttle laten zetten. Ik moet naar Planeet Ur. Meteen.’

‘Ik vlieg je er naar toe’, zei Jack. ‘Kom naar de basis, ik regel een shuttle.’

Jack wilde net het nummer van de basis intoetsen, toen zijn telefoon ging. Hij wilde het gesprek wegdrukken, maar het was Pietersen en hij nam op.

‘Jack, met Pietersen. Ik weet wat Vil te bespreken had met Lupus.’

Edgar keek ongeduldig op zijn horloge. Hij wachtte al een tijdje op Jack. Waarom duurde het zo lang? Gelukkig, daar kwam hij aan. Edgar liep met grote passen naar hem toe. ‘Waar bleef je nou?’, vroeg hij. ‘We hebben haast! Dat weet je toch!’

‘Ik werd gebeld door Pietersen. Onderweg naar de shuttle praat ik je bij.’

‘Die twee weer!’ Jack had Edgar verteld wat hij wist en Edgar was woedend. ‘Het zal ook eens niet hè!’, brieste hij. Ik weet dat ze door en door rot zijn, maar heel Planeet Ur opofferen voor de derde etage van het Furiaanse kasteel! Dat had ik zelfs van hun niet verwacht! Kom we gaan. Laten we hopen dat Langhaar raad weet. Wat een toestand!’

_______

Pietersen was op weg naar zijn kantoor. Hij was nerveus. Liegen ging hem niet zo goed af en hij hoopte maar dat ze hem zouden geloven. Voordat hij naar binnen ging nam hij een flinke hap lucht. Langzaam liet hij de lucht weer uit zijn mond ontsnappen. Het hielp. Hij voelde zich een stukje rustiger en hij ging naar binnen.

‘Sorry voor de onderbreking, hebben jullie al geluncht?’

‘We lunchen wel in het ruimteschip’, antwoordde Lola bits. ‘We hebben lang genoeg gewacht. Eerst vanmorgen en nu weer. We willen weg.’

‘Dat gaat helaas niet’, zei Pietersen. Het schip dat Vil voor jullie heeft geregeld, start niet. De monteurs zijn er mee bezig, maar ze weten nog niet hoeveel tijd ze nodig hebben.’

‘Dan nemen we toch een ander schip’, zei Jim. ‘Jullie hebben er vast wel meer.’

‘Meestal wel, maar helaas zijn veel van onze schepen in onderhoud. De reparatie van jullie schip duurt vast niet lang. Ik laat een hotelkamer voor jullie regelen. Dan kunnen jullie op je kamer lunchen en nog een beetje uitrusten, voordat jullie naar Planeet Lupo vliegen. Zodra het schip klaar is, laat ik het jullie weten. Sorry voor het ongemak, maar ik heb een heleboel extra werk nu Vil ziek is. Jullie worden zo opgehaald. Tot die tijd kunnen jullie in mijn kantoor wachten.’

Hij knikte vriendelijk naar ze en verliet zijn kantoor.