Blauwsnuitje

 

Stamper trok de koelkast open en zuchtte. Akelig leeg, net als zijn bankrekening en het was nog maar de 15de. Het duurde nog een halve maand voordat zijn salaris werd overgemaakt en hij had nog maar 100 wrtls op zijn rekening. Hij ging aan de keukentafel zitten en pakte zijn telefoon. Hij startte de app van Ur-uitzendbureau en bladerde door de vacatures. Tuinman gevraagd. Dat leek hem wel wat. Hij hield van tuinieren en bovendien wist hij veel van planten. Hij tikte op de knop reageren en schreef een motivatie. Zonder er veel van te verwachten stopte hij zijn telefoon weer in zijn broekzak en stond op. Tijd om boodschappen te doen.

Hij was nog maar net onderweg toen zijn telefoon trilde. Hij pakte het apparaat uit zijn broekzak en keek. Het was bericht van het uitzendbureau! Of hij meteen wilde komen! Blij stapte hij op zijn fiets en niet veel later wandelde hij het uitzendbureau binnen.

‘Hallo Stamper, fijn dat je zo snel kon komen’, begroette de intercedente hem vriendelijk. ‘Ik heb je CV en motivatie aan onze klant laten zien en ze is helemaal weg van je.’

Stamper glimlachte. De klant was een zij. Dat verklaarde veel. Dames waren dol op hem. Hij was een prachtig konijn. Hij was stoer en gespierd, hij had een prachtige vacht en een brutaal, jongensachtig gezicht.

De intercedente gaf hem een kaartje met het adres. Hij glimlachte naar haar en stak het kaartje in zijn zak.

‘Kom straks nog even langs om te vertellen hoe het is gegaan. Het zou me niet verbazen als je morgen al mag beginnen en dan kunnen we meteen de papieren in orde maken.’

‘Ze weet dat ik alleen ‘s-avonds kan komen? Overdag heb ik een andere baan.’

De intercedente knikte. ‘Dat heb ik haar verteld en het is geen punt. Succes en tot straks!’

‘Tot straks!’

Stamper liep naar zijn fiets en keek ondertussen op het kaartje. Hij startte zijn navigatie app en klikte zijn mobiel in de houder op het stuur van zijn fiets. Na tien minuten fietsen stopte hij voor een bijzonder chique huis. Er was geen bel, alleen een klopper. Voorzichtig klopte hij op de deur. Een bewakingscamera draaide zijn kant op. Hij keek er in en zwaaide. Buzzend ging de voordeur open en voorzichtig stapte hij naar binnen.

Wat een prachtig huis! De dame die hem wilde huren was vast stinkend rijk. Een rijke oude vrouw. Hij keek op zijn telefoon. Kwam er nu maar eens iemand. Hij voelde zich niet prettig in de enorme ontvangsthal. Aan de muur hing een rij schilderijen met voornaam kijkende konijnen. Het leek wel of ze hem aanstaarden. Er liep een rilling over zijn rug.

‘Heb je het koud?’

Stamper maakte een sprongetje van schrik en keek recht in de mooiste ogen die hij ooit had gezien. Niet alleen haar ogen waren mooi. Ze had een prachtige vacht, prachtige oren en een beeldschoon snuitje. Ze was de mooiste vrouw die hij ooit had gezien.

‘Nee hoor’, stamelde hij.

Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor. Ze negeerde zijn hand en keek hem koel aan.

‘Ik heet Blauwsnuitje. Fijn dat je zo snel kon komen. Mijn tuin is nogal een rommeltje. De vorige tuinman kwam plotseling niet meer opdagen en zelf heb ik geen tijd. Ik laat je zien waar het tuingereedschap staat, dan kan je morgen meteen beginnen. Loop maar achter mij aan.’

Stamper liep achter haar aan. Stiekem genoot hij van haar mooie staartje. Blauwsnuitje…, hij begreep niet waarom ze zo heette. Ze had helemaal geen blauw snuitje. Als hij een tijdje bij haar werkte kon hij het haar misschien vragen. Hij haalde zijn schouders op en liep achter zijn nieuwe werkgeefster de tuin in. Nou ja tuin. Geschrokken keek hij rond. Het was een wildernis. De vorige tuinman was vast al heel lang weg.

‘Jammer dat je alleen ‘s-avonds kan komen’, zei Blauwsnuitje. ‘Hoeveel betaalt je andere werkgever je?’

‘1300 wrtl per maand.’

‘Als je je baan opzegt en bij mij komt werken, betaal ik je 5000 wrtl.’

Stamper maakte een klein sprongetje.

‘Lekker bedrag hè’, zei Blauwsnuitje. ‘Ik regel het wel met het uitzendbureau. Jij zegt morgen je baan op en dan kom je bij mij werken. Je opzegtermijn koop ik wel af. Waar werk je?’

Helemaal blij stapte Stamper op zijn fiets. Vanochtend was hij platzak geweest en nu was hij een goed betaalde tuinman! Hij stopte bij de supermarkt en ging naar binnen voor een fles bubbeltjeswater. Hij was net klaar met afrekenen toen zijn telefoon ging. Het was zijn broer. Hij knikte vriendelijk naar de caissière en liep vrolijk pratend de winkel uit.

‘Ja, niet te geloven hè! Wat een geluk. Ik heb net een fles bubbeltjeswater gekocht. Heb je zin om langs te komen? Ok, dan zie ik je zo.’

Hij deed de fles in zijn fietstas en stapte weer op zijn fiets.

De volgende ochtend was hij al vroeg op weg naar het uitzendbureau. De intercedente begroette hem enthousiast.

‘Nou, jij hebt indruk gemaakt gisteren! Wat heerlijk voor je! Ik heb contact opgenomen met je werkgever. Hij vindt het een prachtige kans voor je en je hoeft je niet aan je opzegtermijn te houden. Wel heeft hij om je telefoonnummer gevraagd. Dan kunnen ze je zo nu en dan nog iets vragen als dat nodig is. Vind je dat goed?’

Stamper knikte blij.

‘Ja hoor, dat mag. Ik ben heel erg blij dat ik meteen weg mag. Dan is een vraag beantwoorden wel het minste dat ik terug kan doen.’

‘Prima, dan zal ik hem je nummer geven. Wat betreft je nieuwe baan….’

De intercedente keek hem vriendelijk aan. Stamper werd een beetje zenuwachtig. Blauwsnuitje had zich toch niet bedacht hè?

‘Mevrouw Blauwsnuitje bied je over twee maanden een vast contract aan. Tot die tijd ben je in dienst van ons.’

Ze stond op en gaf hem een hand.

‘Heel veel succes Stamper! Mocht ik nog iets voor je kunnen doen, laat het me weten!’

Stamper stond voor de deur van zijn nieuwe werkgeefster. Hij had al een paar keer met de klopper op de deur gebonsd, maar er werd niet opengedaan. Ongemakkelijk hupte hij van zijn ene been op zijn andere. Hij wist niet zo goed wat hij moest doen. Er was afgesproken dat hij om half negen zou beginnen, maar inmiddels was het vijf over half negen en hij stond nog steeds voor de deur. Ook de beveiligingscamera bewoog niet. Na nog een keer op de deur gebonsd te hebben, raapte hij zijn moed bij elkaar en sprong hij over het hek de tuin in.

Wat een wildernis. Overal groen en bladeren. Er was geen pad te zien, geen stukje aarde, niets. Waar hij ook keek, hij zag alleen maar woekerende planten. Hij liep naar het schuurtje en probeerde de deur. De deur was open. Aarzelend ging hij naar binnen. Aan de achterste wand van het schuurtje hing een zaag, die kon hij goed gebruiken. Nu nog een snoeischaar voor het lichtere werk. Hij draaide zich om. De deur was dicht!

Geschrokken liep hij naar de deur. Er zat geen handgreep aan de binnenkant! In paniek bonsde hij op de deur. Niemand wist dat hij  hier was. Stom dat hij zijn telefoon vergeten was, nu kon hij niemand bellen. Hoe kwam hij hier uit? De schuur had wel raampjes maar die zaten heel hoog en ze waren veel te klein. Zelfs als het hem zou lukken om bij de raampjes te komen, dan nog kon hij er niet door! Weer bonsde hij hard op de deur. Tot zijn opluchting ging de deur open.

Blauwsnuitje stond in de deuropening en keek hem koel aan.

‘Wat doe jij in mijn schuur?’

‘Er werd niet opengedaan en toen wilde ik alvast beginnen. Sorry, ik wilde u niet boos maken.’

‘Zeg maar je’, zei Blauwsnuitje een beetje vriendelijker. ‘Ik stel voor dat je eerst de schuurdeur repareert. Ik blijf wel bij de deur staan tot je klaar bent. Schiet op, want ik moet zo weg. De deurklink ligt in mijn garage, op de werkbank. Mijn vorige tuinman heeft hem daar neergelegd. De deur is open, je kan er in.’

Ze lachte spottend om Stampers angstige gezicht.

‘De deur van de garage is in orde. Bovendien weet ik dat je in de garage bent. Je kan de deurklink met een gerust hart gaan halen.’

Haar ogen schitterde vals. Stamper zag het niet. Hij was op weg naar de garage en wilde de schuurdeur zo snel mogelijk repareren. De schrik zat nog in zijn benen.

Nadat Stamper de schuurdeur had gerepareerd was Blauwsnuitje vertrokken. Ze had hem de sleutel van de schuur en het tuinhek gegeven en was in haar rode sportauto gestapt. Het was een echte Rabbitini. Op de voorkant prijkte het beeldje van een gespierd konijn. Zuchtend keek hij haar na. Wat een wagen! Zelfs als hij jaren zou sparen, zou hij nooit een Rabbitini kunnen betalen. Hij draaide zich om en haalde zijn schouders op. Wat maakte het uit. Fietsen was gezond en hij had een goed betaalde baan.

Opgewekt ging hij aan het werk. De begroeiing was zo dicht, dat hij maar langzaam vorderde. Tegen lunchtijd had hij nog maar een paar vierkante meter gedaan. Hij vroeg zich af wat hij  met het tuinafval moest doen. Morgen maar even met Blauwsnuitje over hebben. Had hij zijn telefoon nu maar bij zich, dan had hij het op kunnen zoeken. Hij deed zijn broodtrommel dicht en nam nog een slok water. Nadat hij zijn spullen in zijn rugzak had gedaan ging weer verder.

Om zes uur vond hij het genoeg geweest. Nadat hij nog even goed aan de klink van de schuurdeur had gevoeld ging hij naar binnen en hing hij het tuingereedschap terug. Daarna deed hij de deur op slot en liep hij de tuin uit. Het hek hoefde niet afgesloten te worden. Dat viel vanzelf in het slot. De sleutel van het tuinhek  had hij gekregen om het open te kunnen maken.

Moe fietste hij naar huis. Al zijn spieren deden zeer. Thuisgekomen bestelde hij pizza en nam hij een snelle douche. Hij was net klaar met douchen toen er werd aangebeld. Verheugd deed hij de deur open om de pizza in ontvangst te nemen, maar het was de pizzakoerier niet. Het was Blauwsnuitje.

‘Hallo Stamper. Mag ik binnenkomen?’

Stamper knikte verbaasd.

‘Natuurlijk, kom binnen. Ik heb pizza besteld. Als je wilt kunnen we hem delen. Ik heb ook nog wat bubbeltjeswater in de koelkast.’

Blauwsnuitje lachte lief. ‘Lekker, daar heb ik wel trek in. Het was een lange dag.’

Ze liep achter Stamper de huiskamer in en ging in zijn favoriete stoel zitten. Stamper staarde haar even dromerig aan, maar ging toen snel naar de keuken om twee glazen en het bubbeltjeswater te halen.

‘Ik ben verliefd,’ schoot het door hem heen. Zijn knieën trilden toen hij met het dienblad naar binnen liep en zijn hand beefde een beetje bij het inschenken van de bubbeltjes. Hij hoopte maar dat ze het niet zag. De bel ging voor de tweede keer. Dit keer was het wel de pizzakoerier.

De pizza was op en Stamper had het laatste bodempje bubbeltjeswater over hun glazen verdeeld. Hij staarde Blauwsnuitje dromerig aan over de rand van zijn glas. Blauwsnuitje glimlachte en streelde zijn hand. Hij wilde vragen of ze bleef slapen, maar de woorden bleven in zijn keel steken en hij werd een beetje rood.

‘Je wordt rood Stamper, kan je niet zo goed tegen bubbeltjeswater?’

Stamper knikte schaapachtig.

‘Wat schattig.’

Ze trok haar hand terug en leunde lui achterover.

‘Dat was een lekkere pizza. Maar eigenlijk ben ik niet gekomen om te eten. Ik wilde je wat vragen.’

Ze keek hem lief aan en Stamper hoorde zijn hart zo hard bonzen, dat hij bang was dat ze het kon horen. Blauwsnuitje boog naar hem toe.

‘Weet je Stamper’, fluisterde ze zacht, ‘ik ben zo bang alleen in die grote villa. Zou jij bij me willen komen wonen? Dan verdubbel ik je salaris en je krijgt gratis kost en inwoning.’

Ze stond op.

‘Denk er over na en laat het me morgen maar weten. Bedankt voor het etentje en tot morgen.’

Stamper keek uit het raam en zag de achterlichten van de Rabbitini in het donker verdwijnen. Bij Blauwsnuitje wonen. Hij kon het niet geloven. Hij pakte zijn telefoon en belde zijn broer.

‘Jij gaat wat? Je maakt een grapje zeker. Ik dacht dat jij de verstandigste was van ons allebei. Ik heb hier helemaal geen goed gevoel over.’

‘Ik vraag niet om je mening. Ik bel je om te vragen of je op mijn huis wilt passen.’

‘Natuurlijk wil ik dat, maar denk er eerst nog even over na. Je kent haar nauwelijks. Het klinkt allemaal te mooi om waar te zijn. 10.000 wrtl om de tuin te doen en om daar te slapen. Die wil wat van je hoor.’

‘Zou het?’, vroeg Stamper blij.

‘Je gaat me toch niet vertellen dat je ook nog verliefd op haar bent?’

‘Wat zou dat? Eindelijk gaat alles me voor de wind en dan gun je het me niet.’

‘Dat is niet waar Stamper, dat weet je best. Ik maak me alleen zorgen om je, maar goed. Doe wat je wilt. Ik pas op je huis, maar je moet me beloven dat je me iedere avond even belt. Goed?’

Stamper beloofde het en hing op.

De volgende ochtend stond hij vroeg op. Hij deed zijn kleding en nog wat andere spullen in zijn hutkoffer en belde een taxi. Zijn fiets liet hij in de berging staan, daar kwam hij voor terug als hij hem nodig had. De taxi kwam sneller dan hij dacht en hij was dan ook voor half negen bij Blauwsnuitje. Nadat hij samen met de taxichauffeur zijn hutkoffer naar de voordeur had gebracht bonsde hij op de voordeur.

‘Als ze nu maar opendoet’, dacht hij. ‘Ik kan niet met mijn hutkoffer over het hek springen en hier zo staan met die koffer staat ook een beetje raar.’

Hij hupte van zijn ene been op zijn andere en keek weer naar de voordeur. Net toen hij voor de tweede keer op de deur wilde bonzen, deed Blauwsnuitje open.

‘Welkom’, glimlachte ze. ‘Ik breng je naar je kamer, loop maar achter mij aan.’

Stamper liep achter Blauwsnuitje aan. Hij liet zijn ogen langs de inrichting glijden en verbaasde zich over zoveel pracht en praal. De vloeren waren van wit marmer en bedekt met een prachtige rode loper. De muren waren bekleed met zacht goudkleurig fluweel en aan de wanden hingen prachtige schilderijen. Tegen de wanden in de gang waren elegante dieprode tafels geplaatst en op die tafels stonden de prachtigste kunstvoorwerpen.

‘Niet te geloven dat ik hier ga wonen’, dacht Stamper. ‘Zo moet je alle eindjes aan elkaar knopen en zo woon je in een villa.’ Hij glimlachte.

‘We zijn er.’

Blauwsnuitje deed een deur open en liet Stamper als eerste naar binnengaan.

‘Bevalt het je?’

Stamper knikte. ‘Jazeker. Het is een prachtig appartement.’

‘Je mag ook gebruik maken van het zwembad. Behalve als ik gasten heb, maar dat gebeurd niet zo vaak.’

Ze liep naar de glazen pui en schoof hem open. ‘Kijk, daar is het zwembad,’ wees ze. ‘Er staan ook ligstoelen bij. Handdoeken vind je in de kast. Je kan je vuile was kwijt in de badkamer. Daar is een stortkoker. Wat betreft het eten..’ Ze draaide zich om en keek hem aan. ‘Dineren doen we samen. Ik heb een hele goeie cateraar. Iedere avond is het weer een verrassing wat er op het menu staat. Ontbijt en lunch moet je zelf regelen, loop maar mee. Dan laat ik je de keuken zien.’

Ze schoof de pui weer dicht en ging hem voor naar de keuken. Na de keuken liet ze hem de rest van het huis zien. Het huis was zo groot dat het tot aan de lunch duurde, voordat hij alles had gezien.

‘Zo, dat was het. Maak maar een lekker broodje voor jezelf klaar. Ik moet weg. Je red je wel hè? Tot vanavond!’

Stamper hoorde in de verte de motor van de Rabbitini ronken en toen was het stil. Hij keek rond.

‘Eerst maar eens een hapje eten. Dan ga ik daarna maar eens kijken waar ik alles kan vinden en als ik daar mee klaar ben, ga ik mijn koffer uitpakken. Wat een villa! En nog wel een met een eigen zwembad. Als ik Graver vanavond bel, heb ik heel wat te vertellen. Misschien mag hij zo nu en dan langskomen, dat zal hij leuk vinden. Hij is gek op zwemmen.’

Na de lunch, maakte hij nog een rondje door het huis. Zijn hutkoffer had hij snel uitgepakt en toen hij daar mee klaar was, besloot hij nog een beetje in de tuin te gaan werken. Ook vandaag was er bijna geen doorkomen aan.

‘Ach, wat geeft het’, dacht hij. ‘Ik heb tijd genoeg. Het komt wel een keer af.’

Om vijf uur stopte hij. Hij was moe van het harde werken in de tuin en hij voelde zich vies.

‘Eerst maar eens douchen. Zo kan ik niet aan tafel verschijnen. Voor het eten even Graver bellen en dan naar de eetzaal. Ik ben benieuwd wat we gaan eten.’

Hij zette zijn werkschoenen netjes bij de buitendeur en liep op zijn sokken naar zijn appartement. Hij was blij met zijn nieuwe woonruimte, maar een ding vond hij vervelend. Er zat geen slot op de deur. Ook niet op de badkamerdeur.

‘Ach, eigenlijk is het ook niet nodig. Ze komt vast niet binnen als ik aan het douchen ben.’

Hij ging de badkamer in, kleedde zich uit en deed zijn vuile kleding in de stortkoker. Het voelde vreemd, net of hij zijn kleren weggooide. De badkamer was gigantisch. In de hoek kon gedoucht worden in de ruimste inloopdouche die hij ooit had gezien en in het midden van de enorme badkamer stond een groot hartvormig bubbelbad. Hij stelde zich voor hoe het zou zijn om in het bad te liggen met Blauwsnuitje en ondanks dat hij alleen was begon hij te blozen.

‘Hou eens op met dromen en neem een koude douche,’ zei hij streng tegen zichzelf. ‘Straks kom je nog te laat voor het eten.’

‘En dat zou jammer zijn’, klonk de stem van Blauwsnuitje. ‘Waar was je over aan het dromen?’

Van schrik sprong Stamper een paar meter in de lucht en stootte zijn hoofd. Hij griste een handdoek van het rek en deed hem om. Blauwsnuitje stond grinnikend in de deuropening.

‘Heb jij weleens van privacy gehoord?’ Stamper keek Blauwsnuitje boos aan.

‘Privacy? Wil jij privacy? Weet je dat zeker?’

Ze glimlachte naar hem en liep langzaam naar hem toe. Zachtjes aaide ze hem over zijn gezicht. Stamper bloosde.

‘Mooi bad hè?’, ging ze verder. ‘Het is een tweepersoons. Ga eerst even douchen, ik baad liever niet in het zweet van iemand anders.’

Ze draaide de kraan open en stak kaarsjes aan.

‘Wat sta je hier nog? Vooruit! Onder de douche!’

‘Komen we dan niet te laat voor het eten?’, vroeg Stamper schaapachtig.

Blauwsnuitje lachte. ‘Nee hoor, we eten later vandaag. Of misschien wel helemaal niet.’

Ze glimlachte veelbetekenend.

‘Ik heb de hele middag in de tuin gewerkt en ik lust wel een hapje’, stribbelde Stamper tegen.

Blauwsnuitje lachte weer. Ze blies de kaarsjes uit en deed de kraan dicht.

‘Je hebt gelijk. Ga maar douchen. Eigenlijk heb ik geen zin om te baden. Ik zie je zo in de eetzaal.’

Ze liep weg en trok de deur achter zich dicht.

Nadat Stamper een beetje bijgekomen was van Blauwsnuitjes bezoek, was hij gaan douchen. Daarna was hij naar zijn kledingkast gelopen om een schone spijkerbroek en een shirt te pakken, maar de kast was leeg. In paniek draaide hij zich om keek in het rond.

‘Misschien kan ik mijn kleding nog uit de stortkoker vissen’, dacht hij. ‘Ik kan toch niet gaan dineren in een handdoek!’

Er werd op de deur geklopt. Hij deed open en stak zijn hoofd om de deur. Er stond een kledingrek in de gang. Aan het rek hing een chique kostuum met een bijpassend overhemd en een stropdas. Op de grond stonden schoenen met een schoon paar sokken.

Snel pakte Stamper de kleding en deed de deur weer dicht. Het duurde even voordat hij was aangekleed. Vooral de stropdas vond hij lastig. Hij pakte zijn telefoon om op te zoeken hoe je een stropdas moest knopen, maar hij had geen bereik.

‘Dan maar geen stropdas. Straks maar eens aan Blauwsnuitje om de wifi key vragen,’ dacht hij. Tevreden keek hij naar zijn spiegelbeeld. Ook zonder stropdas zag hij er geweldig uit. Zijn maag rammelde en het was tijd om naar de eetzaal te gaan.

‘Ik bel Graver straks wel’, dacht hij. ‘Eerst maar eens eten. Ik wil wel mijn kleding terug en ik wil kunnen internetten. Eens kijken of ik tijdens het eten een geschikt moment kan vinden om het te vragen.’

Blauwsnuitje zat al aan tafel en van haar goede humeur was niet veel meer over.

‘Ik dacht dat jij zo’n trek had’, snauwde ze. ‘Kom je daarom vijf minuten te laat? En waarom heb je geen stropdas om? Je ziet er uit als een landloper. Hoe krijg je het voor elkaar! Heb je enig idee wat dat pak gekost heeft? Sta daar niet zo stom te staren en ga zitten! Dan kunnen we eindelijk eten!’

Stamper ging zitten. Blauwsnuitje pakte het elegante tafelbelletje dat voor haar op tafel stond en klingelde er mee. De deur van de eetzaal ging open en er kwam een butler binnen. Hij was oud. Zijn oren hingen naar beneden en hij had maar een oog. Een waterig bloeddoorlopen oog. Stamper wilde opstaan om zich voor te stellen, maar Blauwsnuitje gebaarde dat hij moest gaan zitten. De butler serveerde het voorgerecht zonder iets te zeggen. Daarna schonk hij ze een glas bubbeltjeswater in en verdween weer.

‘Eet smakelijk.’

Blauwsnuitje keek Stamper koel aan. ‘Eet smakelijk’, zei ze. ‘En waag het niet ooit nog te laat te komen.’

‘Beloofd’, zei Stamper. Hij keek haar vriendelijk aan. ‘Het spijt me Blauwsnuitje, maar ik kreeg mijn stropdas niet gestrikt. Ik wilde op internet naar een voorbeeld zoeken, maar ik had geen bereik. Ik ben om vijf voor zes naar de eetzaal gegaan, maar het was verder weg dan ik dacht en daarom was ik te laat.’

Blauwsnuitje glimlachte. ‘Het is al goed’, zei ze. ‘Na het eten leer ik je hoe je een stropdas moet strikken en je weet nu hoe laat je moet vertrekken om op tijd in de eetzaal te zijn. Hoe is het met de tuin?’

‘Het werk vlot niet zo snel als ik zou willen’, antwoordde Stamper. ‘Als ik elektrisch tuingereedschap had, zou alles een stuk sneller gaan.’

‘Gelukkig heb je alle tijd van de wereld. Je hoeft je niet te haasten hoor. Morgen ben ik vrij en dan kom ik bij je zitten. Ik zal er voor zorgen dat je een t-shirtje krijgt waar ik je bovenlijf goed in kan zien. Ik hou van gespierde mannenlijven.’

Stamper verslikte zich en verschoot van kleur. Toen hij uitgehoest was keek hij in het lachende gezicht van Blauwsnuitje.

‘Grapje Stamper, behalve dan dat ik morgen vrij ben. Weet je wat, om het goed te maken geef ik jou morgen ook vrij. Zullen we samen gaan zwemmen?’

‘Dat zou ik graag doen, maar mijn kleding is verdwenen.’

‘Oh ja, dat is ook zo. Ze keek afwezig in de verte en staarde even voor zich uit. Toen keek ze Stamper weer aan en glimlachte verontschuldigend. ‘Sorry, maar ik vond je kleding een tikje ouderwets en ik heb een nieuwe garderobe voor je besteld. Kijk straks maar in je kast. Eet je soep op. Anders wordt het koud.’

Toen ze de soep op hadden rinkelde Blauwsnuitje voor de tweede keer met het tafelbelletje. Het oude eenogige konijn schuifelde naar binnen en ruimde af. Hij ging weg en kwam terug met een trolley, volgeladen met de heerlijkste gerechten.

‘Dat krijg ik niet allemaal op hoor’, zei Stamper verbaasd. ‘En jij zit er ook niet uit als een grote eter’, ging hij verder.

Blauwsnuitje glimlachte. ‘Wat wij niet eten krijgt Eénoog mee naar huis. Hij heeft een grote familie.’

Stamper knikte begrijpend. ‘Dat is erg aardig van je. Heb je nog meer personeel, behalve Eénoog en mij?’

Blauwsnuitje knikte. ‘Ik heb nog een huishoudster en een wasvrouw.’

‘Waarom heb ik die dan nog niet gezien?’

‘Ze werken ‘s-nachts. Ik hou niet van pottenkijkers.’

Blauwsnuitje zei het op zo’n toon, dat Stamper niet verder durfde te vragen. Hij besloot van onderwerp te veranderen.

‘Je hebt niet overdreven, toen je zei dat je een hele goeie cateraar hebt. Wat een geweldig diner! Wat is dat voor gerecht? Er zit iets in dat ik nog nooit heb gezien.’

Blauwsnuitje lachte vals. ‘Weet je zeker dat je het weten wilt? Soms moet je eerst proeven, voordat je weet wat er in zit.’

‘Je hebt gelijk.’ Hij schepte een klein beetje op zijn bord en proefde. ‘Het is heerlijk! Ga je me nu vertellen wat er in zit?’

‘Het is konijnenvlees.’

Stamper kokhalsde en kon het eten met moeite binnenhouden. Hij keek haar verbijsterd aan.

Blauwsnuitje lag dubbel van het lachen.

‘Dat gezicht van jou! Onbetaalbaar! Natuurlijk is het geen konijnenvlees! Het is gebakken aubergine.’

Ze veegde de tranen van haar wangen en keek hem lief aan. ‘Wat ben je toch heerlijk naïef. We gaan nog een boel lol hebben samen.’

Stamper glimlachte vriendelijk naar haar en besloot dat het tijd was om het over de wifi key te hebben.

‘Zou ik misschien je wifi key mogen hebben Blauwsnuitje? Ik heb geen bereik en ik kan niet internetten.’

‘Mijn villa heeft geen internet. Als ik thuis ben wil ik niet gestoord worden. Op kantoor heb ik internet, maar hier niet.’

Stamper probeerde zijn teleurstelling te verbergen. Geen internet. Nou ja, je kon niet alles hebben. Het voelde wel een beetje raar.

‘Soms wil ik wat opzoeken over tuinplanten’, probeerde hij.

‘Er staan genoeg boeken over tuinplanten in mijn bibliotheek. Als je wat op wilt zoeken, ga je maar naar de bieb. Ben je klaar met eten? Dan kan Eénoog het toetje brengen.’

Na het toetje gingen ze naar de kleine zitkamer. ‘De grote zitkamer is alleen voor bezoek en niet geschikt voor een gezellig avondje. Vanavond ga ik je eerst leren hoe je een stropdas knoopt en als je het kan gaan we film kijken.’

‘Ik bel Graver morgenochtend wel’, dacht Stamper. Hij liep achter Blauwsnuitje aan en bewonderde haar mooie pluizige staartje. Ondanks alle grappen die ze met hem uithaalde, was hij nog altijd verliefd op haar en hij verheugde zich op hun avondje samen.

Het werd een geweldige avond. Nadat Blauwsnuitje hem geleerd had hoe hij een stropdas moest knopen, nam ze hem mee naar haar bioscoop. De bioscoop was klein, maar van alles voorzien.

‘Kom, we gaan in het midden zitten. Daar hebben we het beste geluid. Ga jij maar eerst, dan haal ik de popcorn en wat te drinken.’

Ze liep naar een grote popcorn machine en drukte op een knop. De ruimte vulde zich met de lucht van vers gebakken popcorn.

‘Wat wil je er bij drinken?’, vroeg ze.

‘Heb je worteltjesbier?’

Blauwsnuitje schudde haar hoofd. ‘Nee, wel worteltjeswodka met jus d’orange.’

‘Nog nooit gedronken, maar ik wil het graag proberen.’

Ze glimlachte.

‘Daar krijg je geen spijt van. Het is mijn lievelingsdrankje.’

Blauwsnuitje liep met de drankjes en de popcorn naar haar stoel en zette ze in de houder. Ze lachte lief naar Stamper en ging naast hem zitten. Uit de rugleuning van de stoel voor haar pakte ze een programmaboekje.

‘Zo, eens kijken wat voor films er zijn. Ah kijk, wat vind je van deze. Hij is net uit. Hij heet  “Knaagula”. Het is een horrorfilm, met een van mijn favoriete acteurs.

‘Prima hoor, ik hou wel van een enge film’, zei Stamper.

Blauwsnuitje pakte een afstandsbediening uit de stoel voor haar, drukte een paar toetsten in en de film begon.

De film was heel erg eng. Tot Stampers grote genoegen legde Blauwsnuitje een paar keer haar hoofd tegen zijn borst als het eng werd. Hij had haar hoofd gestreeld en ze had het goed gevonden! Na de film bracht Blauwsnuitje hem naar zijn kamer. Ze had hem op zijn wang gekust en hem welterusten gewenst. Daarna was ze zonder nog iets te zeggen weggegaan.

Stamper kon niet slapen, hij moest de hele tijd aan Blauwsnuitje denken. Graver kon hij ook niet bellen, daar was het te laat voor. Hij deed zijn kleding uit en hing ze netjes over de dressboy. Daarna liep hij naar zijn kast. Zoals Blauwsnuitje had gezegd, was de kast gevuld met nieuwe kleding. Spijkerbroeken van Tommy Hillspringer! T-shirts van Pierre Lapin! En dan nog een paar pakken van Hugo Woud met bijpassende overhemden, sokken en stropdassen. Zoveel kleding had hij nog nooit gehad! Hij deed een spijkerbroek aan en koos er een T-shirt bij. Het zat hem als gegoten en hij keek tevreden in de spiegel. Wat een baan! En hij kreeg er nog dik betaald voor ook! Hij ging op bed liggen en deed de televisie aan. Na een tijdje van het ene kanaal naar het andere gezapt te hebben, kreeg hij trek.

‘Eens kijken wat ik in de keuken kan vinden’, dacht hij. Hij deed zijn sloffen aan en liep naar de keuken. Er brandde licht en er werd gepraat.

‘Ik ben benieuwd hoe lang deze het uithoudt’, hoorde hij.

‘De vorige was heel snel weer weg’, zei een andere stem.

‘Logisch, zo’n tuin doen met gewoon gereedschap is ook bijna niet te doen. Nog geen een tuinman is er in geslaagd de tuin helemaal op te knappen.’

‘Dat wil ze ook niet, er is een plek in de tuin waar niemand aan mag komen.’

‘Hoor jij nog weleens wat van een van die tuinmannen?’

‘Nee, het lijkt wel of ze van de aardbodem verdwijnen.’

‘Of er in…’

Stamper werd kwaad. ‘Dat is bijna laster’, dacht hij. ‘Het idee. Blauwsnuitje kon zo nu en dan vervelende grapjes maken,  maar ze had ook haar goeie kanten en ze begroef heus geen tuinmannen in haar tuin.’

Hij besloot weer terug te gaan naar zijn kamer. Hij had geen idee wie die types in de keuken waren en hij had ook geen zin om met ze te praten. Hij vond Blauwsnuitje hartstikke lief en ze was ook nog eens verschrikkelijk mooi. Stelletje roddelaars!

Hij ging zijn kamer in en ging op bed liggen. Even later was hij in diepe slaap.

De volgende ochtend werd hij wakker door de zon. Hij rekte zich uit, stond op en ging naar de badkamer. Dromerig staarde hij in de spiegel. Zwemmen met Blauwsnuitje. Wat heerlijk! Hij poetste zijn tanden en nam een snelle douche. Hopelijk zat er ook een zwembroek tussen zijn nieuwe kleding. Hij schrok. Ze zou toch niet wéér een grapje met hem uit willen halen? Hij schudde zijn hoofd. Nee, na gisteravond was alles anders geworden. Hij droogde zich af en liep naar zijn kledingkast. In de ondergoed la vond hij een vrolijke zwembroek. Hij glimlachte en trok hem aan.

‘Zo, nu nog een broek en een t-shirt en dan ga ik eerst eens lekker ontbijten.’

Fluitend ging hij naar de keuken. Er lag een briefje op de keukentafel.

Sorry Stamper er is iets tussen gekomen. Om het goed te maken, wordt er om 9:00 uur een cadeau voor je bezorgd. Tot vanavond!

Blauwsnuitje.

Teleurgesteld ging hij aan tafel zitten en las het briefje voor de tweede keer.

‘Ze vind het in ieder geval wel jammer dat het niet doorgaat. En ik ben heel benieuwd wat er straks bezorgd gaat worden. Weet je wat, ik ga lekker uitgebreid ontbijten. Als ik klaar ben met mijn ontbijt is het tegen negenen en dan zie ik wel wat ik de rest van de dag ga doen.’

Het was negen uur en Stamper was klaar met zijn ontbijt. Hij had geen idee wat Blauwsnuitje voor hem had bedacht en hij was verschrikkelijk nieuwsgierig.

‘Waar blijft de post nou’, mopperde hij. ‘Het is al vijf over negen en er is nóg niet aangebeld!’

Hij stond op en liep ongeduldig naar de voordeur. Er zat een klein spionnetje in de deur en hij gluurde er door naar buiten. Er stond een doos voor de deur! Hij wilde de voordeur openmaken, maar hij wist niet hoe.

‘Soms is het net of ik hier opgesloten ben’, mopperde hij. ‘Het is toch van de zotte dat ik de voordeur niet open kan maken. Ik probeer wel of ik via de achterdeur naar buiten kan.’

Hij had zich net omgedraaid toen de voordeur vanzelf openging. Verbaasd liep hij terug en keek om zich heen. Wie had die deur opengemaakt? Hij haalde zijn schouders op. Helemaal naar buiten gaan durfde hij niet en daarom hield hij met zijn rechterbeen de voordeur tegen en stapte hij met zijn linkerbeen naar buiten. Voorzichtig trok hij de doos binnenhandbereik en tilde het ding naar binnen. Wat was dat pakket zwaar!

‘Ik maak het hier wel open. Blauwsnuitje verwacht toch geen bezoek.’

Nieuwsgierig trok hij de verpakkingstape van de doos.

‘Krijg nou wat! Elektrisch tuingereedschap!’

Blij nam hij de doos mee naar de schuur.

‘Zo, eens kijken of we daar een mooi plekje voor kunnen vinden en dan begin ik zo met de elektrische zaag. Wat fijn dat ik niet meer met de hand hoef te zagen! Dat scheelt een boel spierpijn!’

Nadat hij zijn nieuwe spullen een plekje had gegeven, zette hij de zaag in een dikke stronk. Geweldig, wat ging dat snel! Met zijn nieuwe zaag kon hij de tuin misschien volgende week wel klaar hebben! Hij kon niet wachten totdat hij Blauwsnuitje het goede nieuws kon vertellen. Hij werkte hard door. Lunchen deed hij niet, hij had goed ontbeten. Voordat Blauwsnuitje thuiskwam wilde hij een flink stuk tuin klaar hebben. Daar zou hij haar vast een groot plezier mee doen!

Het was vijf uur en Stamper keek tevreden rond. Het was gelukt om een flink stuk tuin te doen. Vanavond wilde hij niet te laat aan tafel verschijnen én hij moest een stropdas strikken. Even twijfelde hij of hij de stropdas van gisteravond zou pakken. Die was nog gestrikt. Hij schudde zijn hoofd. Nee, hij ging een nieuwe strikken en hij zou er voor zorgen dat de stropdas bij zijn overhemd paste. Hij ruimde zijn spullen op en ging naar zijn kamer.

Fris gedoucht stond hij voor zijn kledingkast. Peinzend keek hij naar de kostuums die netjes in een rij aan de rail hingen. Na wat wikken en wegen pakte hij een grijs pak, dat mooi bij zijn vacht kleurde. Hij keek op de klok.

‘Ik moet opschieten, anders kan ik Graver weer niet bellen en dan wordt hij misschien ongerust.’

Snel pakte hij de rest van de kleding. Binnen vijf minuten had hij alles aangetrokken en stond hij met zijn stropdas in zijn hand voor de spiegel. Hij haalde diep adem en herhaalde in zijn hoofd de instructies die Blauwsnuitje hem gisteren had gegeven. Hij deed de stropdas om zijn nek en strikte. Het lukte! Trots keek hij in de spiegel. Het was gelukt én hij had tijd om Graver te bellen!

‘Waar is mijn telefoon?’, vroeg hij hardop. Hij keek rond en schrok. Haastig begon hij te zoeken.

‘Oh gelukkig, daar is ie.’

Opgelucht pakte hij het apparaatje op. Hij drukte op de aanknop, maar het apparaat reageerde niet. De batterij was leeg.

‘Stom van me’, mopperde Stamper. ‘Vergeten op te laden. Waar is mijn lader? Ik weet zeker dat ik hem heb ingepakt.’

Maar hoe hij ook zocht, Stamper kon de lader van zijn telefoon niet vinden.

‘Dan ben ik hem toch vergeten in te pakken’, zuchtte hij. ‘Ik zal straks nog eens zoeken, nu eerst naar de eetzaal, anders kom ik alsnog te laat.’

Blauwsnuitje was in een heel goed humeur.

‘Wat heb je je stropdas goed gestrikt! Zie je wel, fluitje van een cent. Je moet het even doorhebben.’

Ze stond op en bekeek de knoop van dichtbij.

‘Goed gedaan hoor! Zullen we na het eten pool spelen?’

‘Dat lijkt me leuk, alleen heb ik het nog maar één keer gedaan.’

‘Geeft niets, dan win ik en daar word ik altijd heel erg blij van.’

Ze lachte naar hem en ging weer zitten.

Nadat ze met haar belletje had gerinkeld kwam het éénogige konijn binnen met het voorgerecht. Net als gisteren schonk hij de drankjes in en verdween weer.

‘Werkt hij hier alleen tijdens het diner?’, vroeg Stamper.

Blauwsnuitje knikte. ‘En als ik bezoek heb. Hij is al oud, maar hij werkt al heel erg lang voor onze familie.’

‘Heb je een grote familie?’

‘Vroeger wel. Maar ik ben de laatste.’

Ze gebaarde naar het eten en Stamper hield op met vragen. Zwijgend aten ze verder. Hij kende het gerecht niet, maar hij durfde niet te vragen wat het was. Er zaten stukjes in en eigenlijk hield hij niet van stukjes. Hij slikte de laatste hap met moeite door en glimlachte vriendelijk naar Blauwsnuitje. Ze glimlachte terug en rinkelde weer met haar belletje.

Eénoog ruimde de tafel af en kwam terug met twee schalen. Hij zette de schalen op tafel en schonk hun glazen bij.

‘Anders nog iets?’ Hij had een krakende oude stem, die bij hem paste. Blauwsnuitje schudde haar hoofd.

‘Nee Eénoog, dank je, je kunt gaan.’

Eénoog pakte de deksels van de schalen en schuifelde weg.

‘Dat zijn pizza’s’, zei Stamper verbaasd.

‘Inderdaad,’ zei Blauwsnuitje, ‘Pizza’s van de beste pizzeria van Urstad.’

Stamper pakte een flink stuk en liet het zich goed smaken. Het was de lekkerste pizza, die hij ooit had geproefd. Genietend pakte hij nog een stuk en nog een stuk. Blauwsnuitje at niet zoveel. Ze keek geamuseerd toe.

‘Nu ga je echt niet meer winnen met pool’, grinnikte ze. ‘Als je voorover leunt golft de pizza over de pooltafel.’

Stamper voelde aan zijn buik en liet een grote boer. Hij keek Blauwsnuitje verschrikt aan. ‘Sorry, normaal doe ik dat niet aan tafel hoor, maar ik heb echt te veel pizza op.’

Blauwsnuitje grinnikte. ‘Wil je nog een toetje?’, vroeg ze.

Stamper schudde zijn hoofd.

‘Dan gaan we maar eens naar de poolkamer.’

Ze stond op en Stamper liep achter haar aan.

Ook deze avond hadden ze het samen weer heel erg gezellig. Nadat ze een paar potjes pool hadden gespeeld gingen ze naar de kleine zitkamer. Er was worteltjesthee en Blauwsnuitje schonk voor allebei een flinke mok thee in.

‘Hoe kom je eigenlijk aan de naam Blauwsnuitje?’, vroeg Stamper.

‘Ik ben vernoemd naar mijn opa.’

‘Heette je opa Blauwsnuitje?’ Stamper keek verbaasd en Blauwsnuitje schoot in de lach.

‘Nee, hij had een blauwe baard en hij werd Blauwbaard genoemd. Toen ik geboren werd wilden mijn ouders me naar hem vernoemen, maar omdat ik een meisje was en geen jongen hebben ze er Blauwsnuitje van gemaakt.’

Stamper knikte begrijpend. Hij had de naam Blauwbaard eerder gehoord, maar hij kon zich niet herinneren waar.

‘Hoe bevalt het electrische gereedschap?’

‘Goed, ik denk dat ik over een week de hele tuin klaar heb.’

Blauwsnuitjes gezicht betrok. ‘Er is een plek in de tuin, die je met rust moet laten’, zei ze. Haar ogen flonkerden donker. ‘Ik zal het je morgenochtend voordat ik weg ga aanwijzen.’

‘Maar dat is toch jammer’, wierp Stamper tegen. ‘Dan heb ik de hele tuin netjes gemaakt op een lelijk stuk na.’

‘Het is mijn tuin’, zei Blauwsnuitje koel. ‘En van dat stuk blijf je af. Kom mee, dan breng ik je naar je kamer.’

Hij kreeg geen kus. Ze was in gedachten toen ze wegliep en het leek wel of ze helemaal vergeten was, dat hij er was. Zuchtend deed hij de deur dicht. Hij kreeg geen hoogte van haar én hij had Graver nog steeds niet gebeld. Hij zocht nog eens door zijn spullen, maar de lader vond hij niet. Hij had geen telefoon gezien tijdens zijn rondleiding in de villa. Waarom ook, ze zou wel een mobiel hebben, net als iedereen. Bovendien had het geen zin. Hij kende het nummer van Graver niet uit zijn hoofd. Wat stom dat hij zijn lader niet ingepakt had. Het gekke was, dat hij eigenlijk zeker wist dat hij hem wél had ingepakt. Zou Blauwsnuitje hem hebben? Maar waarom? Hij schudde zijn hoofd. Toch bleef er een akelig gevoel aan hem knagen. Het leek wel of ze hem aan het isoleren was.

‘Ach, wat een onzin’, dacht hij. ‘Als ik wil kan ik toch over het hek springen. Ik zie spoken. Dat komt er nou van als je zoveel pizza eet. Ik ga slapen, morgenochtend zal ik wel van dat opgeblazen gevoel af zijn.’

Stamper sliep de hele nacht onrustig. ‘Volgende keer eet ik minder’, beloofde hij zichzelf. ‘Vandaag maar weer eens hard in de tuin werken en het ontbijt sla ik maar over.’

Hij was nog maar net begonnen, toen Blauwsnuitje naar hem toe kwam.

‘Ik kom je wijzen waar je niet mag komen’, zei ze vriendelijk. ‘Je mag de hele tuin doen, behalve die strook bij de bomen.’

Stamper deed zijn mond open om te vragen waarom hij daar niet mocht komen, maar ze was hem voor.

‘En vraag niet waarom, want die vraag beantwoord ik toch niet.’ Ze keek hem donker aan. ‘Ik ga op zakenreis, ik kom over een paar dagen weer terug. Eénoog heeft vrij, er liggen pizza’s en diepvriesmaaltijden in de vriezer. Als ik terug ben dineren we weer samen.’

Ze draaide zich om en liep weg.

‘Goeie reis’, riep Stamper haar na.

Blauwsnuitje draaide zich om en wierp hem een kushandje toe.

Stamper was hard aan het werk. Hij wilde de tuin af hebben als Blauwsnuitje terugkwam. Hij vond het jammer dat er een stukje was waar hij niet aan mocht komen. Hij ging zitten en dacht na. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. Ja, zo ging hij het doen. Hij ging er een muurtje van hout omheen zetten. Wat snel groeiende klimplanten en het lelijke stuk was niet meer te zien!

‘STAMPER!’

Stamper sprong omhoog van de schrik. Voordat hij van de schrik bekomen was, kreeg hij een klap op zijn schouder. Met een gezicht waarop de schrik nog vanaf te lezen was, draaide hij zich om. Het was Graver!

‘Graver! Wat heb jij me laten schrikken!’

‘Dat is dan je verdiende loon! Waarom heb je mij niet gebeld. Ik heb me zo’n zorgen om je gemaakt! Ben je zo druk met je nieuwe vriendinnetje dat je niet eens meer een paar minuten vrij kan maken voor je broer. Je moest je schamen!’

Graver ging met een boos gezicht naast hem zitten.

‘Sorry, ik wist niet dat je je zo’n zorgen maakte. Ik wilde je bellen, heus waar, maar eerst kwam er iets tussen en toen was de batterij van mijn telefoon leeg.’

‘Dan laad je dat ding toch op!’ Graver was nog steeds een beetje boos.

‘Ik heb mijn lader thuis laten liggen.’

‘Het zal weer niet hè, nou laten we er maar over op houden. Ik ben blij dat alles goed is.’

Stamper glimlachte. ‘Voor jou blijf ik altijd het kleine broertje. Ik kan inmiddels echt wel voor mezelf zorgen hoor. Maar vertel eens hoe kom je in Blauwsnuitjes tuin?’

‘Ik heb eerst aangebeld, maar er werd niet open gedaan en toen ben ik maar over het hek gesprongen.’

Stamper schaterde het uit. ‘Zo ben ik hier de tweede keer binnengekomen. Kom, we gaan naar de keuken. Blauwsnuitje is op zakenreis en het personeel werkt hier ‘s-nachts. We hebben het rijk alleen.’

‘Wat een rare griet’, zei Graver. Stamper had hem onder het genot van een glaasje bubbeltjeswater en een paar lekkere broodjes zijn belevenissen van de afgelopen dagen verteld.

‘Ik begrijp niet wat je leuk aan haar vind.’

‘Je hebt haar nog niet gezien’, zei Stamper dromerig. ‘Haar ogen en haar staartje….’

‘Ja ja, maar toch vind ik het een rare griet. Waarom mag je dat ene stukje tuin niet doen? Dat is toch vreemd? Zou ze daar iets te verbergen hebben?’

Stamper schudde zijn hoofd.

‘Hoe kan je dat nou vinden als je het niet gezien hebt?’, ging Graver verder. ‘Ik vind dat we een kijkje moeten nemen.’

‘Dat mag ik niet. Als ze er achter komt ben ik mijn baan kwijt.’

‘Ach welnee, hoe moet ze daar nu achter komen. Kom, we gaan kijken.’

Stamper en Graver liepen naar het overwoekerde stukje tuin. Graver pakte zijn telefoon en deed zijn zaklamp aan. Voorzichtig scheen hij door de dikke takken. Niets te zien. Hij duwde de takken uit elkaar en scheen nog een keer met zijn zaklamp. Van schrik maakte hij een sprongetje en liet hij zijn telefoon vallen.

‘Wat is er?’ vroeg Stamper ongerust.

‘Het lijkt wel een grafsteen’, stamelde Graver. ‘Hak eens een stukje weg, mijn telefoon is gevallen en dan kunnen we meteen zien of ik het mij niet heb ingebeeld.’

Stamper zaagde een paar takken weg en verbleekte.

‘Het is echt een grafsteen. Wie ligt hier?’

Hij zaagde nog een paar takken weg en de tekst op de grafsteen werd zichtbaar.

‘Hier ligt Neusje, tuinman van 2010 tot 2011.’

‘Het is de grafsteen van een tuinman’, fluisterde Stamper angstig. ‘Laten we de grafsteen bedekken. Ik doe er wel wat takken overheen. Hopelijk ziet ze het niet.’

Graver schudde zijn hoofd en pakte zijn telefoon. ‘Ik bel 112. Dit ziet er verdacht uit. Hak jij ondertussen nog meer takken weg. Het zou me niet verbazen als er nog meer konijnen liggen.’

Terwijl Graver met de politie sprak, hakte Stamper verder. Graver had gelijk. Op het strookje waren vijf tuinmannen begraven! Stamper trilde over zijn hele lijf. Voorzichtig boog hij naar de eerste steen. De steen was bedekt met mos en het jaartal was niet goed leesbaar meer. Voorzichtig probeerde hij het mos er af te vegen, maar zodra zijn hand de grafsteen aanraakte ging er een alarm af en werd het tuinhek twee keer zo hoog. Stamper kreunde.

Hier konden ze met geen mogelijkheid nog overheen springen. Ze waren opgesloten!

‘Wat moeten we doen?’, kreunde Stamper. ‘Stel dat ze eerder thuiskomt!’

‘Welnee’, zei Graver. ‘Het is nog lang geen eind van de week. Bovendien komt de politie er aan. Ik heb ze net gebeld.’

Maar Graver had het fout. In de verte klonk het geronk van een sportauto. Het was Blauwsnuitjes Rabbitini!

‘Dat is haar auto’, jammerde Stamper. ‘Verstop je. Ze weet niet dat je er bent. Ik houd haar wel aan de praat totdat de politie er is.’

Graver schoot de villa in en Stamper ruimde de takken op. Hij pakte een bezem en begon de grafstenen schoon te vegen.

‘STAMPER! WAAR BEN JE!’, krijste Blauwsnuitje.

‘In de tuin’, riep Stamper terug.

Blauwsnuitje stormde de tuin in.

‘De tuin is klaar hoor Blauwsnuitje’, zei Stamper vriendelijk. Hij hoopte maar dat zijn stem niet beefde. ‘Fijn dat elektrische gereedschap, ik ben er echt blij mee. Ik heb toch dat ene stukje maar even meegenomen. Nu nog wat nieuwe planten er in en je tuin ziet er uit als een paradijsje. Ik begrijp dat je die grafstenen liever niet in het zicht heb. Ik bouw er wel een houten stellage omheen. Wat mooie klimplanten erbij en niemand die het ziet. Lijkt je dat wat?’

Blauwsnuitje keek hem wantrouwig aan. ‘Weet jij wie hier liggen?’ Ze vroeg het vriendelijk, maar haar stem was zo koud, dat Stamper de ijsklontjes bijna kon horen rinkelen.

Stamper knikte. ‘Ja, erg sympathiek van je, dat je je tuinmannen zo dicht bij je begraaft. Ze werkten zeker lang voor de familie hè?’

‘GENOEG!’, krijste Blauwsnuitje. ‘Je denkt toch zeker niet dat je mij voor de gek kan houden! Je maakt mij niet wijs dat je alleen de namen hebt gelezen. Je gaat er aan. Nu je mijn geheim ontdekt heb, moet ik je doden!’

Ze begon te huilen. ‘En jou vond ik echt leuk. Straks ben ik weer alleen’, snikte ze. ‘Sukkel, waarom moest je nou zo nodig die takken weghakken.’

‘Je hoeft me niet te doden, ik houd mijn mond wel’, zei Stamper, zo lief mogelijk. ‘Kom, laat me je troosten.’

‘NEEEEE’, schreeuwde Blauwsnuitje. Ze rende de schuur en kwam terug met de kettingzaag.

De zaag ronkte en het blad draaide vervaarlijk in de rondte. Ze grijnsde maniakaal en zwaaide de zaag heen en weer.

‘KOM MAAR LIEVERD’, brulde ze. ‘KOM MAAR BIJ BLAUWSNUITJE!! WAT ZAL IK OP JOUW STEEN KERVEN? HIJ KON GEEN STROPDAS KNOPEN?’

Stamper holde weg, maar Blauwsnuitje was snel. Ze had de zaag in de struiken gegooid en rende hem achterna. Ze haalde hem in, greep hem vast en gooide hem op de grond.

‘Zwarte band karate’, grijnsde ze. ‘Dat was een idee van mijn vader. Hij wilde dat ik mij kon verdedigen in tijd van nood. Als hij meer tijd aan mij had besteed, had hij mij beter gekend en dan had hij mij nooit een vechtsport laten doen.’

Ze haalde handboeien uit haar handtas en deed ze om Stampers polsen. ‘Zo’n kettingzaag is veel te bloederig. Dat geeft veel te veel rommel. Bovendien help ik iedere tuinman op een andere manier naar de andere wereld. Origineel hè? Mijn eerste tuinman heette Neusje. Hij was altijd verkouden, dus heb ik hem onthoofd. Hij is nooit meer verkouden geweest.’ Ze giechelde zachtjes. ‘De tweede tuinman heette Bolletje. Bolletje was een beetje te dik. Hem heb ik vergiftigd. En jij….’ Ze keek hem even spottend aan. ‘Jij kon geen stropdas knopen. Dus jou ga ik ophangen.’

Stamper probeerde zich los te trekken, maar Blauwsnuitje was sterk. Ze trok hem mee naar binnen en deed een deur in de hal open. Stamper zag een trap naar beneden en probeerde zich weer los te trekken.

‘Hou daar mee op!’, snauwde Blauwsnuitje. ‘Je maakt het alleen maar erger voor jezelf.’

‘Kan dat dan?’, flapte Stamper er uit.

Blauwsnuitje gaf hem een duw en hij rolde van de trap af, de kelder in.

‘Ik kom zo terug’, zei ze. Ze deed de deur dicht en hij hoorde haar weglopen.

Stamper wreef zo goed en zo kwaad als het ging over de zere plekken. Er was een klein beetje licht in de kelder en zijn ogen wenden langzaam aan het donker.

‘Stamper, ik ben het.’

‘Graver?’

‘Ja, zachtjes, straks hoort ze ons. We moeten de kelder uit. Als de politie komt moeten we ze te woord kunnen staan. Anders stuurt ze ze weg.’

Er werd op de voordeur gebonsd.

‘Laat me hier maar’, zei Stamper. Ga jij snel naar boven. Ik ben bang dat ik iets gebroken heb en ik kan niet snel genoeg naar boven.’

Graver holde de trap op en deed de deur naar de hal open.

Blauwsnuitje stond in de deuropening van de voordeur. ‘Wat komt u doen?’, vroeg ze vriendelijk.

‘We hebben een melding gekregen’, zei de agent en zo te zien terecht, want uw alarm is afgegaan.’

‘Er is niets aan de hand hoor’, zei Blauwsnuitje.

Graver sprong tevoorschijn. ‘ER IS WEL WAT AAN DE HAND!’, schreeuwde hij. Ze wil haar tuinman vermoorden en het is niet de eerste tuinman. Haar tuin ligt vól met vermoorde tuinmannen!’

‘Een inbreker! Het alarm is toch niet voor niets afgegaan. Arresteer hem!’, riep Blauwsnuitje angstig.

‘JULLIE MOETEN MIJ NIET ARRESTEREN, JULLIE MOETEN HAAR ARRESTEREN!’, brulde Graver. ‘Kijk dan tenminste in haar tuin. Ze heeft mijn broer in de kelder opgesloten. Ze heeft hem van de trap geduwd en hij heeft wat gebroken. Ze wil hem vermoorden, omdat hij de graven van haar vorige tuinmannen heeft ontdekt.’

De agent krabde achter zijn oor. ‘We kunnen op zijn minst even kijken’, zei hij tegen zijn collega.

‘Heeft u een huiszoekingsbevel?’, vroeg Blauwsnuitje. ‘Zonder huiszoekingsbevel mag u er niet in en ik kan het jullie erg moeilijk maken. Dat beseffen jullie toch wel hè?’

De agenten aarzelden. ‘Over een uurtje kom ik terug’, zei de agent met de meeste strepen. Tot die tijd blijft mijn collega bij u. Deze meneer gaat met mij mee. Tot straks.’

Graver ging met hem mee. Zolang er een agent bij Blauwsnuitje was, zou ze Stamper wel met rust laten. Ondertussen kon hij proberen de andere agent te overtuigen.

Blauwsnuitje deed de voordeur dicht en keek de agent vriendelijk aan. ‘Ik heet Blauwsnuitje’, zei ze. ‘Ik begrijp het wel hoor, maar jullie zullen zien. Er is niets aan de hand. Ik ben blij dat uw collega die inbreker heeft meegenomen. Criminelen worden steeds brutaler. Wilt u wat drinken?’

‘Eigenlijk mag ik dat niet onder diensttijd.’

‘Ach, wat geeft het. Wie komt er achter?’ Blauwsnuitje lachte lief.

‘Nou vooruit, heeft u misschien een glaasje worteltjessap?’

‘Maar natuurlijk. Ik heb het alleen niet in de koelkast staan. Ik ga het even halen. Momentje hoor.’

Blauwsnuitje liep naar de voorraadkamer en pakte een fles worteltjessap. Van de plank ernaast pakte ze een flesje. Ze schroefde het flesje open en goot wat van de inhoud in de fles worteltjessap.

‘Slaap zacht agentje’, gniffelde ze.

Graver zat achterin de politieauto. Hij deed zijn uiterste best om de agent te overtuigen, maar tot nu toe was dat niet gelukt.

‘U bent de origineelste inbreker die ik tot nu toe mee heb gemaakt’, zei de agent vriendelijk. ‘Een tuin met grafstenen en een gewonde broer in de kelder van een villa. U had schrijver moeten worden. Dan zat u nu niet met handboeien om in een politieauto.’

‘Maar het is echt waar’, brieste Graver boos. ‘Ze mag dan in een grote villa wonen, ze is hartstikke gestoord.’

‘Zodra ik het huiszoekingsbevel geregeld heb, ga ik terug. Als u gelijk heeft bied ik u mijn excuses aan.’

‘U moet een heel team meenemen. Ga niet alleen, ze is gevaarlijk.’

‘Gevaarlijk?’, spotte de agent. ‘Dat mooie vrouwtje? Er is echt een steekje aan je los hoor.’

De agent stopte de auto voor het politiebureau. ‘We zijn er. Eens kijken of we nog een mooi celletje voor je hebben.’

Blauwsnuitje schudde zachtjes aan de slapende agent. Ze grinnikte vals. ‘Slaap lekker agentje. Ik ga Stamper een bezoekje brengen.’

Stamper zat met zijn rug tegen de muur van de kelder en zag de deur open gaan. Even flikkerde er een sprankje hoop in hem op, maar toen zag hij dat het Blauwsnuitje was.

‘Hallo Stamper. Ik ben terug. Gezellig hè. Geen zorgen hoor, ik hang je niet meteen op. Ik wil eerst nog een beetje met je spelen en als we uitgespeeld zijn mag je zelf de stropdas uitzoeken, waaraan ik je op ga hangen.’

‘Je vergeet mijn broer’, zei Stamper zwakjes. ‘Hij zal alles doen om mij te redden.’

Blauwsnuitje lachte. ‘Als hij dat kon, zou hij dat zeker doen. Jammer dat de politie denkt dat hij een inbreker is. Hij is een half uurtje geleden geboeid meegenomen naar het politiebureau.’

‘Hij overtuigt ze wel en dan komen ze terug.’

‘Ze komen ook terug. Zodra de agent een huiszoekingbevel heeft geregeld, maar dan is het te laat voor jou.’ Ze giechelde. ‘Niet weggaan hoor, ik kom zo terug. Even je stropdassen halen.’

De kelderdeur viel met een klap achter haar dicht.

‘Luister nou toch naar me!’ schreeuwde Graver. ‘Straks komen jullie te laat! Jullie moeten Stamper helpen!’

‘Maak je niet zo druk man!’, zei het konijn in de cel naast hem. ‘Ze horen je hier niet hoor. De enige die je kan horen, ben ik en ik versta je ook wel als je niet schreeuwt. Wat is er aan de hand?’

Graver ging moedeloos op de grond zitten. ‘Als ik je het je vertel, geloof je me toch niet.’

‘Probeer het maar’, zei het konijn en Graver begon te vertellen.

Blauwsnuitje kwam terug met een stapel stropdassen. ‘Zo, hier kan je vast wel uit kiezen’, zei ze vrolijk. ‘Wat vind je van deze?’ Ze hield een stropdas omhoog met doodshoofdjes. ‘Of deze bloedrode, of…’

De deur van de kelder ging open. Boven aan de trap stond de agent.

‘Ik heb nog een inbreker gevonden agent’, zei ze met bibberende stem. ‘Ik heb hem kunnen overmeesteren, maar ik kan wel wat hulp gebruiken. Kunt u even beneden komen?’

‘Niet doen’, waarschuwde Stamper. ‘Ze is gevaarlijk. Blijf waar je bent!’

Blauwsnuitje keek de agent smekend aan. ‘Ik heb hem vastgemaakt, maar ik ben bang dat ik de touwen niet strak genoeg heb gedaan. Ik ben niet zo sterk. Alstublieft, help me, straks maakt hij de touwen los en gijzelt hij mij.’

De agent keek van Stamper naar Blauwsnuitje en van Blauwsnuitje weer naar Stamper. Hij aarzelde.

‘BLIJF WAAR JE BENT’, schreeuwde Stamper.

‘Help me toch’, smeekte Blauwsnuitje.

De agent aarzelde niet meer en kwam de trap af. ‘Het kan geen kwaad die touwen even te inspecteren. Laat eens even zien.’

Hij boog voorover en lette niet op Blauwsnuitje. Blauwsnuitje had een honkbalknuppel vast. Ze haalde uit en liet de honkbalknuppel met een harde klap op het hoofd van de agent neerkomen. Kreunend zakte hij in elkaar.

‘Denk je echt dat je daar mee weg kan komen?’, vroeg Stamper. ‘Je bent gestoord, weet je dat!’

‘Inderdaad’, zei Blauwsnuitje. Haar ogen schitterden vals. ‘Maar wie gelooft nou dat ik die agent heb geslagen? Ze zullen denken dat jij het hebt gedaan. Trouwens, als ik je heb opgehangen ga ik weg. Ik vind deze villa niet leuk meer. Ik ga ergens anders wonen. Heb je al een stropdas uitgekozen?’

Er klonk lawaai boven.

‘Wat nou weer’, mopperde Blauwsnuitje. ‘Even kijken, ik ben zo terug.’

Graver zat naast de agent die hem naar het bureau had gebracht.

‘Sorry’, zei de agent. ‘We hebben wat zaken van verdwenen tuinmannen bestudeerd en alle verdwenen tuinmannen bleken in dienst van Blauwsnuitje te zijn geweest. Gelukkig is mijn collega achtergebleven. Ik heb goeie hoop dat we op tijd zijn.’

Graver was allang blij dat ze op weg waren om Stamper te bevrijden, dus zei hij niets en knikte hij alleen maar.

Ze waren bij de villa aangekomen en de voordeur werd geforceerd. Het team rende de gang in en stond oog in oog met Blauwsnuitje. De voorste twee agenten pakten haar beet en deden handboeien om haar polsen. Ze schreeuwde, ze huilde, ze zette haar onschuldigste gezichtje op, maar dit keer trapte niemand er in. Intussen rende Graver naar de kelderdeur en deed hem open.

‘Jullie collega ligt bewusteloos op de vloer’, riep hij. ‘Mijn broer leeft nog.’

Hij rende naar beneden en maakte de touwen los. Stamper wreef over zijn polsen en probeerde op te staan. Het lukte!

‘Het ziet er naar uit dat je toch niets gebroken hebt, jongen! Wat fijn!’

Graver maakte een rondedansje van blijdschap.

‘Kom, we gaan naar boven.’

Stamper strompelde voorzichtig achter Graver de trap op.

‘Waar is Blauwsnuitje?’, vroeg hij.

‘Die is gearresteerd’, antwoordde Graver. ‘De politie doorzoekt op dit moment haar tuin en het ziet er niet goed voor haar uit. Kom, we gaan naar huis. Ik vertel even dat we gaan en dan horen we wel hoe het is afgelopen.’

Blauwsnuitje werd veroordeeld voor de moord op vijf konijnen. Alle vijf konijnen waren bij haar in dienst geweest als tuinman. Ze had een flinke som smartengeld moeten betalen, zowel aan Stamper als aan de agent en ze zou nooit meer vrijkomen. Het was een spannende tijd geweest voor Stamper en Graver, maar nu zaten ze lekker voor de televisie en keken ze naar een spannende film.

De film werd onderbroken door een reclameblok en Stamper haalde wat te drinken.

‘Fijn dat het zo goed is afgelopen hè’, zei Stamper. Graver knikte. ‘Ja, eindelijk rust. Kom, de film gaat zo verder.’

Maar de film ging niet verder. In plaats daarvan werd er een politiebericht uitgezonden.

‘De politie vraagt uw aandacht voor het volgende: ‘Blauwsnuitje, veroordeeld voor het vermoorden van vijf tuinmannen, ontvoering en mishandeling, is vanochtend uit de gevangenis ontsnapt. Als u haar heeft gezien, verzoeken wij u dringend contact op te nemen met de politie. Ze is extreem gevaarlijk.’

Stampers deurbel ging. Geschrokken keken de twee broers elkaar aan. Er werd op de deur gebonsd.

‘Pizza!’

‘Dat is waar ook, we hebben pizza besteld.’

Stamper liep opgelucht naar de deur en deed open. De pizza bezorger had een angstige blik in zijn ogen. Er stapte iemand achter hem vandaan. Het was Blauwsnuitje.

‘Hallo Stamper’, fluisterde ze. ‘Je bent je stropdassen vergeten…..’

Advertenties